
De kinderen logeerden bij haar schoonmoeder. Ze zou ze gaan ophalen. Een heel gewone middag.
En toen wilde haar moeder mee.
Niet om de kleinkinderen eerder te zien. Niet om gezellig mee te rijden. Ze vertelde het me zo: “Maar dan wilde ze nu meegaan als ik de kinderen ga ophalen, want dan kon ze haar huis zien.”
Haar huis zien. Het huis van een vrouw over wie haar moeder allang een mening had. “Daar weet ik ook dat ze van alles van vindt,” zei ze.
Ik noem haar Lotte. Eind dertig, moeder van twee jonge kinderen. Een vrouw met een moeder die over iedereen oordeelt. Over haar partner, over haar vriendinnen, over de familie van haar partner. En die diep gekwetst reageert als Lotte daar een grens tegenover zet.
Ik zei wat ik zag: “Om dan vervolgens weer beter te voelen over zichzelf. Want dan heb ik nog meer reden om een ander te veroordelen, want alleen dan kan ik me genoeg voelen.”
Lotte hield het af. Haar moeder ging niet mee. Daar was ik trots op, en dat heb ik haar ook gezegd. Maar daar gaat deze blog niet over.
Deze blog gaat over wat er daarna gebeurde, in mijn hoofd en in dat van Lotte. Want waarom iemand een ander naar beneden haalt, dat snap je meestal wel. Wie zich niet genoeg voelt, maakt een ander kleiner. Wat veel moeilijker te snappen is: waarom kan ze het niet gewoon loslaten? Waarom kan ze niet één keer zeggen: misschien heb ik me vergist?
En toen kwam er een beeld in me op dat ik nog nooit had gebruikt.
“En de grap is, het is niet eens haar stem. […] Dus dat is te bizar aan het familiesysteem. Ze is een poppenspeler van haar familiesysteem. Ik heb die metafoor nog nooit in mijn leven gebruikt. Meestal bij coaching verzin ik gewoon metaforen. Ze is gewoon een poppenspeler. Haar systeem zegt wat ze moet zeggen. En waarschijnlijk is het de stem van haar vader of moeder.”
Eigenlijk bedoelde ik een marionet. Zij is niet degene die aan de touwtjes trekt. Aan haar touwtjes wordt getrokken. Door haar vader, door haar moeder. Door alles wat haar ooit is geleerd over hoe het hoort, wie er goed genoeg is en wie niet.
Als Lottes moeder iets zegt over de schoonmoeder, dan praat er een vrouw. Maar de woorden komen van verder weg. Van een keukentafel van tientallen jaren geleden. Van een vader of moeder die het ook weer van iemand had.
Ik zei het zo tegen Lotte: “Ik moet zo iedereen veroordelen. Dus ze heeft dus nodig, in het extreme, om een ander naar beneden te halen. Waarom? Omdat ze zichzelf zo onzeker en niet goed genoeg vindt.”
Weet je wat het mooie is aan dat beeld? Het maakt het gedrag niet goed. Het blijft pijnlijk als je moeder over je schoonfamilie, je vriendinnen of je kinderen oordeelt. Maar het haalt het wel van jou af. Als het niet eens haar stem is, dan is het ook niet over jou. Dan sta je niet tegenover je moeder. Dan sta je tegenover een heel systeem dat door haar heen praat.
En met een systeem ga je geen discussie winnen.
Lotte voelde iets wat ik heel vaak hoor van vrouwen die dit gaan zien. Geen boosheid. Iets wat zachter is.
“Ja, ergens vind ik het gewoon heel triest dat iemand daar zo in zit. En zij heeft het ook gewoon zelf niet door.”
En even later: “Als ik naar mijn moeder kijk en naar haar leven, denk ik: ja, hoe gelukkig ben jij nou daadwerkelijk geweest? […] Hoeveel is daar nou echt gewoon gelukkig geweest?”
Dat is een grote vraag om over je eigen moeder te stellen. Je kijkt niet meer omhoog naar de vrouw die alles beter wist. Je kijkt naar een vrouw die haar hele leven aan touwtjes heeft gehangen. En je vraagt je af of ze ooit zelf heeft mogen kiezen.
Ik gaf haar twee dingen terug. Het eerste: het is nooit te laat. “Laatst een sessie met iemand van 68. We hebben een 65-jarig patroon op deze manier doorbroken. Want je wordt in mijn optiek gelukkiger als je echt doorhebt en zelf kiest.”
Het tweede is minder hoopvol, maar wel eerlijk: “Je kunt het niet zien totdat je het ziet. En tot die tijd ben je blind, wat anderen ook zeggen.”
Wat anderen ook zeggen. Ook wat jij zegt. Ook als je het nog zo liefdevol uitlegt.
“Wat ik dan vooral niet moet doen,” zei ik, “is blind voor mezelf zijn.” En ik weet waar ik het over heb. “Ik heb twee hele leuke, ingewikkelde ouders, met hele unieke problemen. Ik weet waar ik vandaan kom.” Ik doe dit werk niet voor niks.
Dan de vraag waar ik mee begon. Waarom kan ze het niet gewoon loslaten?
Daarvoor moet je zien wat er voor haar op het spel staat. Of Lottes moeder de schoonmoeder nu goed kent of niet, het maakt niet eens uit. Ik zei:
“Het maakt niet uit of ze haar kent. Ze mag niet eens de mening veranderen. En dat zegt al genoeg over haar niet emotioneel volwassen stuk. Want volwassen mensen kunnen van mening veranderen. Die kunnen flexibel zijn en niet zeggen: dit hoort zo. En dan zie je dus dat het stug is, dat het dus een systeem is, waar heel veel aan gekoppeld zit.”
Volwassen mensen kunnen van mening veranderen.
Lees die zin nog eens. Want hij is een spiegel. Niet alleen voor je moeder.
Waarom is dat zo moeilijk voor haar? Omdat het oordeel niet los staat. Het is een pilaar onder hoe ze naar zichzelf kijkt. Ik legde het uit: “Liefde en zelfbeeld is een van de extreem belangrijkste dingen. Dat moet je beschermen met je leven. Dus ze mag niet eens anders over je schoonmoeder nadenken. Want dan moet ze anders over zichzelf nadenken.”
Als die schoonmoeder ineens een lieve, warme vrouw blijkt te zijn, wat zegt dat dan over al die jaren oordelen? Wat zegt het over haar eigen waarde, die steeds een beetje hoger leek als er iemand anders lager stond? Dan wankelt alles.
“Dus het is makkelijker om te blijven veroordelen dan om zichzelf aan te passen,” zei ik. “Dus: oh verrek, je zal wel eens gelijk hebben. Die ga je niet horen van je moeder.”
“Nee,” zei Lotte. “Denk het niet.”
“Want dan moet ze zichzelf aanpassen. En dat kan niet.”
Zie je hoeveel energie dat jou kan schelen? Hoeveel gesprekken je hebt gevoerd in de hoop dat ze het één keer zou zien? Hoe vaak je hebt uitgelegd, verdedigd, genuanceerd? Een uitspraak die ik vaak doe: vechten met de realiteit ga je altijd verliezen. En de realiteit is hier: zij kán op dit moment niet van mening veranderen. Niet omdat ze niet wil. Omdat het haar te veel kost.
Dat is geen reden om alles maar te slikken. Het is een reden om te stoppen met wachten tot ze je gelijk geeft.
Het voelt alsof er geen lucht is als je moeder in de kamer is. Lotte kende dat gevoel. Ik gaf er een tweede beeld bij:
“Mensen die niet kunnen veranderen nemen zo ontzettend veel ruimte. De beste vergelijking die ik dan kan geven: het is alsof ze een ballon hebben, die wordt groter als ze de ruimte binnenkomen. Die ballon wordt groter en groter en groter en wordt zo groot alsof je nog letterlijk tegen de muur gedrukt wordt en helemaal geen ruimte hebt.”
Die ballon is haar systeem. Haar mening, haar regels, haar manier van liefde geven. Ik zei het in haar woorden, zoals het systeem het zou zeggen: “Mijn vuur. Mijn systeem, mijn mening, mijn waarde van hoe ik van anderen hou, hoe jij mijn liefde verdient. Want dat is de houding. Jij verdient alleen mijn liefde als je mij alleen maar met deze volledige ballon in deze ruimte laat. En waag het niet om aan die ballon te zitten.”
En het venijnige: hoe meer jij ruimte vraagt, hoe harder er geblazen wordt. “Ze passen zich niet aan. Ze blazen er vaak alleen nog meer op, hoe meer je je grens aangeeft. Waag het niet om gelijkwaardig te zijn. Jouw ballon: prik, bam.”
Herken je dat? Dat je één keer iets zegt, en dat de kamer daarna nog voller wordt? Meer verwijt, meer verdriet, meer drama? Dat is geen teken dat je het fout deed. Dat is de ballon die zich verdedigt.
Wat dan wel? Je eigen ballon. Ik zei:
“Ik heb hier ook mijn ballon. En samen zijn we gelijkwaardig in dit moment. Ik ben niet meer, jij bent niet meer, we zijn gelijkwaardig. En door jouw houding heb ik het gevoel dat je je ballon zo opblaast, dat mijn ballon er helemaal niet toe doet. Maar dat is dikke onzin. Ik wil behandeld worden als een gelijkwaardig iemand. En ik ben niet meer het kleine meisje dat je kan controleren.”
Het kleine meisje dat je kan controleren. Dat is ze niet meer. Alleen voelt het lijf dat nog niet. “Maar je systeem voelt anders,” zei ik. “Daarin voel je de angst. Mama ontneemt de liefde.”
Daar zit de kern. Een volwassen vrouw van eind dertig weet dat ze ruimte mag innemen. Maar het meisje in haar herinnert zich wat er gebeurde als ze aan mama’s ballon zat. Dan ging de liefde dicht.
Er zit nog een laag onder. Want hoe kijkt Lotte zelf naar haar moeder? Ik zei: “Als je onzeker bent en niet genoeg voelt, dan ga je soms de andere mensen verheffen. En dan kijk je naar boven en denk je: oh ja, die zal vast veel beter zijn dan ik. Zo kijk je ook naar je moeder. Je gaat daar onder staan. Of je moeder drukt je naar beneden en jij gaat zelf nog verder naar beneden.”
Je moeder drukt, en jij zakt er zelf nog een stukje bij.
Dat is het patroon. Mild over het meisje dat dat ooit leerde, want het was slim. Wie onder mama gaat staan, loopt minder kans dat de liefde dichtgaat. Maar streng over het patroon, want het houdt je klein. “En wat je dus nu wilt,” zei ik, “is gelijkwaardig.”
Niet boven haar. Niet onder haar. Naast haar. Twee ballonnen in één kamer.
Eerder in haar traject had Lotte me al eens een vraag gesteld die hier precies bij hoort. Ze zoomde ineens helemaal uit.
“Ik zit zo te denken, ik schuif een hele andere kant op: is dit nou uit onze generatie, of is dit gewoon het leven?”
Ik vroeg wat ze bedoelde. “Nou ja, ik zie het ook bij zoveel andere mensen. […] Omdat ik er nu zelf mee bezig ben, en wat je ook allemaal zegt, denk ik eigenlijk: alle mensen hebben als ze kind zijn bepaalde dingen, waardoor ze zich op een manier gaan gedragen die eigenlijk helemaal niet goed zijn.”
“Of die niet helpend zijn,” zei ik. “Ja, en dat is het mooie aan dit. Het moment dat je het ziet, kun je het niet meer ontzien. En dat is perfect.”
Ik vertelde haar dat het bij mij thuis niet anders is. Als mijn vrouw en ik ruzie maken, komt in haar het kleine meisje naar boven en in mij het kleine angstige jongetje. Dan zijn er twee kleine kindjes die met elkaar ruzie maken. “Tot de dag dat we allebei in het bejaardentehuis zonder kunstgebit rondlopen, dragen we die met ons mee. En dit is niet alleen van onze generatie, het is altijd zo.”
Ik ben een filmgek, dus ik pakte er Interstellar bij. Lotte had hem niet gezien: “Ik heb veel films gezien, maar volgens mij deze niet.” In die film zegt een robot dat iets niet rationeel is, onmogelijk. En toch maakt liefde het mogelijk, de liefde van een vader voor zijn kinderen. “Zo ongelooflijk sterk, dat we door liefde tot ongelooflijke dingen in staat zijn. […] En zeker als we het hebben over de vaderliefde en moederliefde. Het is zo intens. Nu pas worden we er langzaam bewust van, maar de invloed heeft het altijd al gehad.”
Daarom draag je het mee. Wat je als kind leerde over liefde, over emoties, over hoe je met stress omgaat, dat is waarmee je als volwassene blijft reageren. Tenzij je er iets mee doet.
Lotte zei op een ander moment iets wat ik zo herkenbaar vind. Ze zag het steeds vaker om zich heen: mensen bij wie ze dacht “jij zit nu als een kleutertje hier je te gedragen.”
Ik herken dat. Ik zei:
“En daarom heb je soms ook het gevoel: ik praat nu niet met een volwassen persoon, een volwassen collega. Omdat alle volwassenheid eruit gaat, en ze reageren vanuit dat kindstuk zoals zij dat geleerd hebben. En ik ben daarin dus niet anders. Ik reageer soms ook op frustratie op een hele kinderlijke manier, op stress, of op overwhelm, of op ik ben niet goed genoeg. En dan verander ik weer in dat kleine kindje. […] En soms denk je zelf: ben je kleuter? Weet je wel? Maar dat zijn ze emotioneel gezien eigenlijk ook.”
Dat zijn ze emotioneel gezien eigenlijk ook.
Dat is geen scheldwoord. Dat is een diagnose van het moment. Je moeder die zich gekwetst terugtrekt omdat jij nee zegt, reageert op dat moment niet als een volwassen vrouw. Ze reageert als een meisje dat bang is om niet gezien te worden. En jij, als je daarop weer heel klein wordt, reageert ook niet als een vrouw van eind dertig.
Twee kleuters in een keuken. Het kan gebeuren. Het gebeurt bij mij ook. De vraag is alleen wie van de twee als eerste weer volwassen wordt.
Lotte was eerlijk over wat dit met haar deed. “Ik weet niet of dat nou positief of negatief is.”
Snap ik. Want als je het eenmaal ziet, zie je het overal. Bij je moeder, bij je collega, bij je vriendinnen. En je ziet ook hoe weinig mensen er iets mee doen. Ik zei: “Welkom in waar je wereld is geopend, en je gaat het alleen maar nog meer zien. Ook omdat de meeste mensen dit werk niet doen. […] Dus hoe meer je dit werk doet, hoe meer je het gaat zien, hoe weinig mensen eigenlijk dit werk doen.”
Ik had er net een hele nieuwsbrief over geschreven. Welkom bij de tien procent.
“Dit is de verantwoordelijkheid die je er nu bij draagt. Dat je andermans triggers terug mag geven. Maar dat ze het waarschijnlijk niet eens kunnen zien en niet zullen begrijpen. En dat jij de boeman gaat zijn. En dat je dus andere mensen niet kan helpen, omdat ze het zelf niet kunnen zien. Dat is soms ook lastig met een partner.”
Dat is de eenzame kant. Je ziet de touwtjes. Je ziet de ballon. En de vrouw aan die touwtjes ziet ze niet. Dus als jij een grens trekt, ben jij in haar ogen de boeman. Niet het systeem.
Maar er is een andere kant, en die is veel groter. “Het zien maakt wel dat je dus jouw eigen grenzen dus weer beter kan beschermen en dus weer kan zeggen: dit heeft niks met mij te maken.”
Dat is de zin waar het om draait. Ik zei het zo:
“Het is van jou, het is jouw trigger, het is jouw kind, jouw opvoeding, het is jouw manier hoe je met stress omgaat. Het is niet van mij. Weet je hoeveel rust dat gaat geven als je die bewustwording mee hebt? Het is niet van mij. En klik, deur dicht, je loopt weg uit de conversatie en het is uit je hoofd.”
Klik. Deur dicht.
Je hoeft het niet mee te nemen naar huis. Je hoeft het niet in de auto te herkauwen. Je hoeft er niet wakker van te liggen. Want het was nooit van jou.
“En te veel nemen we het op onze schouders,” zei ik. “Zoals je dus die van je ouders nu op je schouders neemt. En daar is het een goede start. Nee, het is niet van mij.”
En toen gaf ik haar drie zinnen. Zinnen die je je ouders teruggeeft, in je hoofd of op papier:
“Papa, mam: verantwoordelijkheidsbesef. Papa, mam: ik ben goed genoeg. Papa, mam: ik hoef niet perfectionistisch te zijn. Het zijn jouw stukken.”
Het zijn jouw stukken. Je geeft ze niet terug met boosheid. Je geeft ze terug omdat ze nooit van jou waren.
Misschien zit jij ook weleens aan een verjaardagstafel. Je moeder begint over de nieuwe vriend van je zus. Of over je schoonfamilie. Of over hoe jij je kinderen opvoedt, verpakt in een grapje dat geen grapje is.
Vroeger knikte je. Of je ging ertegenin, en dan werd het alleen maar erger. En op weg naar huis zat je in de auto met een knoop in je buik en een hoofd vol gesprekken die je nog had willen voeren.
Wat als je de volgende keer de touwtjes ziet? Wat als je denkt: het is niet eens haar stem. Dit is haar vader die praat. Dit is haar moeder die praat. Dit is een systeem dat al tientallen jaren dezelfde zinnen opzegt.
Je hoeft het niet te winnen. Je hoeft haar niet te overtuigen. Je mag gewoon je eigen ballon houden.
En dan nog één vraag, want ik ben mild over je moeder maar ook eerlijk tegen jou: waar ben jij de marionet? Welk oordeel houd jij vast, over een collega, een schoonzus, een andere moeder op het schoolplein, omdat het loslaten van dat oordeel zou betekenen dat je ook anders naar jezelf moet kijken? Volwassen mensen kunnen van mening veranderen. Jij ook. En je kinderen kijken mee hoe je dat doet.
1. Hoor de stem achter de stem. De volgende keer dat je moeder, of iemand anders die je raakt, een oordeel uitspreekt, stel jezelf in stilte de vraag: wiens stem is dit eigenlijk? Schrijf de zin later op. Schrijf eronder van wie hij oorspronkelijk zou kunnen komen. Een opa, een oma, een oude regel uit dat gezin. Je doet dit niet om haar te veroordelen. Je doet dit om jezelf los te haken.
2. Neem je eigen ballon mee. Merk je dat je tegen de muur wordt gedrukt, dat er geen lucht meer is in de kamer? Zet je voeten op de grond, adem rustig uit en zeg in jezelf: “Ik heb hier ook mijn ballon. We zijn gelijkwaardig.” Je hoeft haar mening niet te veranderen. Je hoeft alleen niet zelf nog verder naar beneden te zakken.
3. Geef je ouders hun stukken terug. Pak een vel papier en schrijf drie dingen op die je van thuis hebt meegekregen en die eigenlijk niet van jou zijn. Te veel verantwoordelijkheid. Nooit goed genoeg. Alles perfect moeten doen. Zet voor elk ding “Papa, mam:” en sluit af met: “Het zijn jouw stukken.” Lees het hardop, met je hand op je hart. En zeg daarna: “Het is niet van mij.”
Het is niet eens haar stem. En het hoeft ook niet de jouwe te worden.
Lees ook Je bent zijn moeder niet: hoe je uit de moederrol in je relatie stapt en Schuldgevoel is geen fout, het is een kompas.
Wil je weten hoe ik naar jouw familie kijk? Als systemisch coach in Lelystad en online help ik je zien wat je meedraagt.
Zet hem op deze week.
Liefs,
Jonathan
Ontdek in een gratis Mini Familieopstelling waar jouw patronen vandaan komen.