
Een paar maanden geleden werd mijn dochter wakker in de nacht. Ik weet niet waarvan. Ik probeer daar ook geen label op te plakken.
Ik pakte haar op, knuffelde haar en legde haar terug in bed. Ik streek met mijn hand over haar haar en zei: “Je bent veilig, lieverd. Je bent veilig.”
En dat voelde zo goed. Een aanwezige vader zijn. Haar de liefde geven die ze verdient.
Toen liep ik terug naar ons bed, de kamer ernaast. En ineens kwam er een verdriet. Zomaar, uit het niets.
Het was mijn innerlijk kind dat huilde.
Ik wist het meteen, zonder het te hoeven uitleggen. Ik had zelf een vader nodig gehad die tegen mij zei: je bent veilig. Een vader die er ’s nachts was. Die me vasthield.
Ik weet dat er veel gebeurde voordat ik vijf was. Van de jaren in het kindertehuis, van mijn achtste tot mijn elfde, weet ik weinig meer. Mijn hoofd heeft veel weggestopt. Mijn lijf niet.
En nu ik zelf vader ben, komt het terug. Niet als ik erom vraag. Gewoon, als ik mijn dochter instop.
Misschien herken je dit. Zodra je zelf ouder wordt, komt er van alles naar boven. Hoe jij bent opgevoed. De oude patronen. Wat je wel kreeg, en wat je miste.
Je kind wordt ineens zo oud als jij was toen het thuis misging. En je merkt dat je anders reageert. Feller, stiller, verdrietiger. Je snapt niet waarom.
Dan kijkt er een klein meisje in jou mee. Ze ziet jou je kind geven wat zij zelf nooit kreeg. En dat doet pijn. Het is rouw.
Er is niets mis met je. Het is je innerlijk kind dat zich eindelijk laat zien.
Ik ben het niet gaan wegredeneren. Als dit soort dingen opkomen, ga ik er niet aan twijfelen. Het is er. Het wil aandacht. Het wil liefde, zonder voorwaarden.
Dus ik heb mezelf letterlijk een knuffel gegeven, daar in mijn bed. En tegen mezelf gezegd: “Je bent geliefd. Je bent geliefd. Je bent veilig.”
Ik deed bij mijn innerlijk kind precies wat ik net bij mijn dochter had gedaan.
Een paar avonden geleden lag ik weer in bed. Ik dacht terug aan een moment met mijn dochter die dag en voelde: je bent een goede vader.
Ik leg mezelf veel druk op. De cirkel doorbreken, een goede vader zijn. Die druk is niet altijd goed voor me.
En meteen kwam die kritische stem. Die wilde me eraan herinneren dat ik tijdens het eten was uitgevallen. Mijn geduld kwijt was.
Ik ving het. En ik zei tegen mezelf: ik weet dat ik kan groeien. Maar nu is het tijd om trots te zijn. Er is tijd om te groeien, en er is ook tijd om trots te zijn.
En toen heb ik weer gehuild. Omdat het goed is om trots te mogen zijn. Je hoeft niet altijd maar door te groeien.
Merk het op. Word je ineens heel klein, of heel boos, of verdrietig zonder reden? Vraag jezelf: hoe oud voel ik me nu?
Twijfel er niet aan. Je hoeft het niet te snappen of te bewijzen. Het is er, en het mag er zijn.
Geef haar wat je je kind geeft. Hand op je hart. En zeg tegen dat kleine meisje in jou wat je net tegen je eigen kind zei: “Je bent veilig. Je bent geliefd.”
Wees ook trots. Niet alleen kijken naar wat beter kan. Zie ook wat je al doorbreekt.
Wil je haar meer zeggen? Schrijf haar een brief. Hoe dat gaat lees je in Brief aan je innerlijk kind: zo schrijf je hem. Op mijn pagina over innerlijk kind werk lees je hoe ik je hierin begeleid.
Ik deelde dit verhaal voor het eerst in mijn podcast Hart & Zakelijk, in het gesprek met psycholoog en traumaspecialist Caroline Middelsdorf. Je kunt de hele aflevering terugluisteren: You Are Not Your Trauma.
Zet hem op deze week.
Liefs,
Jonathan
Ontdek in een gratis Mini Familieopstelling waar jouw patronen vandaan komen.