
Halverwege ons gesprek ging haar telefoon. Iemand had haar nodig. Weer. Ze nam niet op, maar ik zag het in haar gezicht: het trok aan haar.
Ik noem haar Sandra. Rond de vijftig, moeder. Ze kwam voor een Mini Familieopstelling, en binnen een paar minuten wist ik hoe haar leven eruitzag. Ze zei het zelf: “Ik ga gewoon door het vuur, zelfs als ik mezelf kapot maak.”
Een vriendin in nood. Het kind van een ander. Een vreemde die bij haar aanklopt. Sandra staat er. Altijd. En toen ik vroeg wat het haar opleverde, zei ze: “Ik voel me dan nuttig.”
Herken je dat? Dat je pas rust voelt als iedereen om je heen geholpen is? En dat er van jou aan het eind van de dag niks meer over is?
Ik zei tegen haar: “Omdat de liefde wie jij al die mensen geeft, is precies de liefde die jij mist.”
Sandra herkent de pijn van anderen razendsnel, omdat ze die pijn zelf kent. Dat maakt haar warm en empathisch, een helper uit duizenden. Maar het kost haar alles. “En iedereen wil gezien, gehoord worden en van gehouden worden.” Zij ook. Alleen heeft ze ooit geleerd dat ze dat via een omweg moet halen.
Ik ken die omweg. In de podcast Muscle Up, waar ik te gast was, vertelde ik over mijn eigen zorgzaamheid: “misschien wel deels omdat weinig voor mij gezorgd werd, dat ik het heel fijn vond ook voor anderen te zorgen. En dat ik daardoor ook precies wist wat anderen misten omdat ik het miste.”
Dus vroeg ik: wanneer is dit begonnen? Hoe oud was het meisje dat ontdekte dat ze zo aan liefde kon komen?
Ze was elf. Er was net een broertje geboren, haar zusje was negen. En toen gebeurde er iets wat ze in één zin samenvatte: “Dan is mijn mama naar boven gegaan en is nooit meer naar beneden gekomen.”
Een meisje van elf, met een baby en een zusje, en een moeder die het had opgegeven. Wat doet zo’n kind? Ze neemt een besluit. Ik sprak het hardop uit, namens dat meisje: “Ik ben jullie mama. Ik laat jullie zien wat liefde is. Ik ga van jullie houden. Ik ga al jullie pijn die jullie gaan krijgen, ga ik op mijn schouders nemen zodat jullie het niet hoeven te krijgen.”
Ze knikte. Zo was het. Ze ging zelfs minder naar school, om thuis alles draaiende te houden.
Toen vroeg ik: “Doe je dat nu nog steeds?” Het bleef even stil. “Ja.”
Dit heet parentificatie: een kind dat de ouder wordt in zijn eigen gezin. Ik ken het van heel dichtbij. In de Veilige Hecht podcast vertelde ik over mijn twee oudere zussen: “Ik had twee oudere zussen en die moesten op veel te jonge leeftijd bijvoorbeeld al dingen voor mij doen, voor mij zorgen, omdat ze al doorhadden: er vallen gaatjes bij onze moeder en onze vader is er ook niet. Dus dan lossen wij het op.”
Het kind lost het op. En het blijft oplossen. Veertig jaar lang, bij iedereen die op een broertje of zusje lijkt.
Ik ben mild voor dat meisje. Ze hield er haar gezin mee overeind. Maar ik ben streng voor het patroon, want het houdt haar nu niet meer overeind. Het trekt haar leeg.
Dus zei ik het zonder omwegen: “De hele wereld is niet jouw broertje en zusje.” En daarna, nog een laag dieper: “Jouw moederliefde ga je niet krijgen in vreemden.”
Dat doet pijn. Het kleine meisje hoopt al die jaren dat ze, als ze maar genoeg mensen redt, eindelijk krijgt wat ze van mama niet kreeg. Die hoop mag ze loslaten. Niet omdat ze het niet verdient. Juist omdat ze het zichzelf kan geven.
Toen kwam het beeld waar mijn werk eigenlijk om draait. Ik zei: “Ik heb een stukje grond op deze wereld. En die grond baken ik af door middel van mijn grens. Hallo, ik ben genoeg.”
Sandra had haar grond weggegeven. Stukje voor stukje. Ik speelde na hoe dat bij haar gaat: “Kom maar binnen joh. Een stukje land heb ik niet nodig.” Tot je in een hoekje van je eigen leven zit, zonder ruimte om te voelen wat jij nodig hebt. “Je bestaansrecht is bestaansrechtje geworden.”
“Je grenzen aangeven is niks meer dan andere mensen laten zien hoeveel jij van jezelf houdt.”
Ze vroeg hoe ze dan al die mensen moest loslaten. Hoe ze het moest uitleggen. Zie je het? Zelfs die vraag ging weer over de ander. Ik zei: “Ja, maar focus dan niet op die mensen loslaten. Focus dan op jezelf vastpakken.”
Ik gaf haar nog één beeld: “Als ik nu olie in dit water zou gooien, is het water troebel. Zie ik dan het water nog goed, ja of nee?”
Haar oude pijn is die olie. Zolang ze helpt om liefde terug te krijgen, ziet ze de ander niet echt. Ze ziet haar eigen tekort. Wie eerst zichzelf vult, kan helderder kijken en veel meer geven. In “Het echte geheim van liefde” zei ik het zo: “als je een kopje hebt, en dat is wie jij bent, die moet je eigenlijk helemaal vullen.”
Aan het eind zei Sandra iets wat ik niet vergeet: “Ik toon mijn echte ik niet. Nog niet.”
Nog niet. In die twee woorden zit haar hele toekomst. En ze voegde eraan toe: “Ik ben geen opgever. Ik ben een doorzetter.”
Pak een vel papier en teken een cirkel. Dat is jouw grond. Schrijf erbinnen wat van jou is: je rust, je tijd, je gevoel, je lijf. Schrijf erbuiten de namen van de mensen die je op dit moment aan het redden bent.
Stel jezelf bij elke naam één vraag: help ik omdat ik het wil, of omdat ik zo liefde probeer te halen? Je hoeft niemand te laten vallen. Kies deze week één ding dat je níet oppakt voor een ander.
En schrijf elke avond één bewijs op dat je jezelf hebt vastgepakt. Zoals ik tegen Sandra zei: “minder bewijzen verzamelen dat je hen loslaat, maar meer bewijzen verzamelen dat je jezelf vastpakt.”
Je hoeft niet de moeder van de hele wereld te zijn. Je mag op je eigen grond staan.
Lees ook Licht en donker tegelijk: waarom je niet eerst gelukkig hoeft te zijn en Letterlijk en figuurlijk gevangen: de ene gedachte die mijn celdeur openzette.
Wil je dit niet alleen doen? Als coach in Lelystad en online help ik je om helder te krijgen wat je wilt, en wat je nog tegenhoudt.
Zet hem op deze week.
Liefs,
Jonathan
Ontdek in een gratis Mini Familieopstelling waar jouw patronen vandaan komen.