
Ik zette mijn dochter af bij het kinderdagverblijf. De begeleidster zei dat ze haar wel even zou overnemen. Dat was toch geen probleem?
Ik zei: “Ik wacht nog wel eventjes.”
Want bij ons thuis hebben we een regel. Ik vertelde het later zo aan een klant: “Wij hebben een regel dat we een kind niet huilend achterlaten. Ik wacht net zolang tot het zenuwstelsel weer ontspannen is.”
Bij andere kinderen gaat het anders. Die worden soms meteen overgenomen. En dat vind ik prima. “Prima dat dat zo is,” zei ik erbij, “maar wij vinden het fijn om die band niet te verbreken en wij doen het op die manier. Iemand anders mag het anders doen, maar wij doen het op die manier.”
Dus daar zat ik. “Al doet iedereen het anders, dan zit ik daar nog even op de grond. De enige papa.”
Een volwassen man op de vloer van een kinderdagverblijf, wachtend tot zijn kind er klaar voor is. Ondertussen zijn ze daar aan me gewend. “Maar dit is hoe ik mijn kinderen bescherm.”
Ik vertel je dit niet om te laten zien wat voor goede vader ik ben. Ik vertel het omdat het een grens is. Een hele zachte grens. Er werd niemand afgewezen. De begeleidster deed niks verkeerd. En toch stond er iets heel duidelijk: zo doen wij het. Ik hoefde er niet boos voor te worden. Ik hoefde het niet te verdedigen. Ik ging gewoon op de grond zitten.
Ik vertelde dit verhaal aan een vrouw die ik hier Lotte noem. Eind dertig, moeder van twee jonge kinderen. Ze heeft een moeder die over bijna iedereen een oordeel heeft, en die diep gekwetst reageert zodra Lotte een grens aangeeft. We hadden het over wat er gebeurt als iemand in jouw huis over jouw gezin heen walst. En toen kwam die vechter in mij boven.
“In dit huis zijn wij gelijkwaardig. En mijn mening mag naast die van jou bestaan, maar mijn gezin staat vooraan. En jij komt in mijn gezin. En dat ga ik beschermen als een papabeer.”
En ik ging door: “Dan komt die vechter in mij. Dan vindt die papabeer, wat mamaberen ook heel goed kunnen: ja, afblijven. Je blijft af van het zelfbeeld van mijn kind. Daar doe ik alles voor.”
Je blijft af van het zelfbeeld van mijn kind.
Dat is de zin. Daar zit voor mij geen twijfel in. En ik zei er ook bij waarom ik het zo vertelde: “En dat voorbeeld geef ik, omdat ik dat gun aan jou. Want in jou zit er vast ook wel een hele sterke mama.”
Lotte herkende het meteen. “Ja, als het over de kinderen gaat, heb ik ook wel regelmatig dat ik mijn moeder aanspreek.”
Natuurlijk. Voor haar kinderen staat de mamabeer er wel. Zoals bij zoveel moeders die ik spreek. Als iemand aan je kind komt, weet je ineens precies wat je vindt. Dan aarzel je niet. Dan leg je het niet drie keer uit.
Maar als het over jezelf gaat? Dan wordt het ineens stil. Dan is de beer ineens een muisje.
Later in diezelfde sessie vertelde Lotte iets wat ik heel vaak hoor, ook van ondernemende moeders. Er waren mensen die ze niet meer sprak. Of minder. En toen ze erover nadacht, zag ze een patroon.
“Over bepaalde redenen waarom ik mensen nu niet meer spreek, of minder spreek: vaak op het moment dat ik dan wel wat aangeef, dan past het bij hun niet meer. En dan bloedt het eigenlijk een beetje dood.”
Lees die zin nog eens. Op het moment dat ik dan wel wat aangeef.
Wat leer je als dat een paar keer gebeurt? Je leert dat een grens iets kost. Dat je mensen kwijtraakt als je laat zien wie je bent. Dat liefde en vriendschap blijven zolang jij je aanpast, en ophouden zodra jij iets nodig hebt.
En dus doe je het niet meer. Je slikt het in. Je zegt ja tegen de klant die om nog een extra rondje vraagt. Ja tegen de vriendin die alleen belt als zij iets nodig heeft. Ja tegen je moeder, omdat nee zo’n gedoe geeft. En je noemt het lief zijn. Flexibel. Makkelijk in de omgang.
Ik ben mild over de vrouw die dat doet. Ze heeft ooit geleerd dat het zo moest, en het hield haar veilig. Maar ik ben streng over het patroon. Want het kost je jezelf.
Toen we het hadden over haar moeder, en over hoe moeilijk het voor haar was om iets aan te geven, zei ik tegen Lotte: “Schrijf deze zin op.”
“Je grenzen aangeven is de beste manier om andere mensen te laten zien hoeveel jij van jezelf houdt.”
Ik legde uit wat ik bedoel. Het begint niet bij de ander. Het begint bij jou. “Dus ik heb hier die liefde. En die liefde, dat ben ik, die mezelf genoeg vindt en mezelf waard vindt. Die kan ik voelen, en ik kan mijn behoeftes voelen. Ik kan inchecken bij mezelf. Wat heb ik nu nodig?”
En vanuit die behoefte klopt je hart. Een grens is niks anders dan dat hart hardop.
“Hallo, ik geef een grens aan. Dit is mijn hart. Dit zijn mijn behoeftes. Dit is wie ik in essentie ben. En al ben jij het niet eens met dat stuk: dit moet je zien. Zie mij door middel van deze grens.”
Zie je wat daar gebeurt? Een grens is geen deur die je dichtgooit. Het is een deur die je openzet. Je laat de ander zien wie je bent. Je zegt: hier sta ik. Dit is wat ik nodig heb. Dit is wat ik waard ben.
Een muur houdt mensen buiten. Een grens laat zien waar jij begint.
Als je dit leest en denkt: mooi gezegd, maar het voelt voor mij toch echt als iets negatiefs, dan ben je niet de enige. Ik zei het in die sessie zo:
“Meestal als je een pleaser bent en bezig bent met andere mensen, heeft een grens iets negatiefs. Grenzen hebben dan vaak met de ander te maken. Wat gaan zij van mijn grenzen vinden? En dan ben je per definitie eigenlijk al niet met de pure grenzen bezig. De pure, echte, interne grenzen aangeven heeft niks met de ander te maken. Alleen hebben we het zo geleerd.”
Alleen hebben we het zo geleerd.
Als jij een meisje was dat moest aanvoelen hoe de stemming thuis was, dan is een grens voor jou altijd iets geweest wat over de ander ging. Hoe reageert mama? Wordt papa boos? Wordt het stil aan tafel? Een grens was gevaarlijk, want een grens kon betekenen dat de liefde even werd ingetrokken.
En dus kijk je als volwassen vrouw nog steeds eerst naar buiten voordat je naar binnen kijkt. Eerst: wat gaan zij ervan vinden. Pas daarna, als er nog ruimte over is: wat wil ik eigenlijk?
Ik zei het tegen Lotte met wat meer vuur: “De maatschappij heeft een hele vieze manier om naar grenzen te kijken. Maar het is prachtig. Het is simpel. Ik hou zoveel van mezelf. Kijk, wereld. Ik verdien om gezien te worden. Ik verdien om ruimte in te nemen. Ik ben gelijkwaardig. Je mag van mij houden met mijn grenzen.”
Je mag van mij houden met mijn grenzen.
Niet ondanks. Met.
Ik werd in die sessie ook heel eerlijk over mezelf. Want ik ben niet anders.
“Het liefst zou ik helemaal willen dat mijn vrouw nooit een grens aangeeft. Fantastisch. Je kan alles doen wat ik wil. Heerlijk. […] Want als zij een grens aangeeft, moet ik me aanpassen.”
Ik meende het. Voor de ander is het altijd makkelijker als jij geen grens hebt. Dat is precies waarom zoveel mensen het niet erg vinden dat jij er geen hebt. Je bent zo lekker makkelijk.
Maar zo werkt een gezonde relatie niet. Ik legde uit hoe het bij ons gaat: “Ik zie jouw grens, en ik geef mijn grens aan. En een gezonde relatie is dit: je geeft een beetje mee. En automatisch, als je langer bij elkaar bent, weet je een beetje waar je je tussen moet begeven.”
En dan heel concreet: “Dus mevrouw legt de schoenen weg, want dat vind ik belangrijk. Ik doe dat binnen haar grenzen, ik ga er niet overheen. Maar ik weet dat als we samen goed door de deur willen komen, pas ik me aan. Dan luister ik naar een heel verhaal over een collega waar ik geen zin in heb. Maar dat vindt zij belangrijk. Dan ga ik mijn eigen grens een klein beetje over. En in die grens leven we een klein beetje samen. En dit is de gezondste manier om een relatie te hebben.”
De schoenen. Het verhaal over de collega. Zo klein. Zo gewoon. En toch is dat precies hoe twee mensen naast elkaar leven: ik pas me aan aan jou, jij past je aan aan mij.
“Als één van de twee het niet doet, dan gaat het alle kanten op. Als alleen één iemand een grens aangeeft en de ander niet, dan cijfer je jezelf weg.”
En ik zei er iets bij wat ik ook in mijn eigen huis zie: “Negen van de tien keer dat je ruzie hebt met je partner of met andere mensen, gaat het alleen maar om: zie je me nog eventjes? We zijn even met onszelf bezig.”
Hallo, zie je me nog?
Dat is de vraag onder bijna elke ruzie. En een grens is de volwassen manier om die vraag te stellen.
Een grens hoeft niet groot te zijn. Het hoeft geen statement te zijn. Ik vertelde Lotte wat ik zelf kort daarvoor had gezegd: “Twee dagen geleden zei ik: sorry, maar ik heb niet de ruimte om nu zo goed naar jou te luisteren, dat lukt me eventjes niet. En ik snap dat je wat te vertellen hebt, maar ik moet naar bed.”
Dat is ook een grens. Ik moet naar bed.
“Of ik heb nu even geen ruimte. Ik kan het nu eventjes niet. En dat is oké. Je grenzen mogen op het ene moment anders zijn dan op het andere. Het is de waarheid op dat moment. Ik heb nu geen energie.”
Weet je hoeveel vrouwen denken dat een grens pas mag als hij voor altijd geldt? Als hij logisch is, uit te leggen, te verdedigen in een rechtszaak? Zo niet. Een grens is de waarheid op dit moment. Vandaag heb ik geen ruimte. Vanavond lukt het niet. Nu even niet.
“En het start dus bij van jezelf houden. Dat is een andere manier om naar grenzen te kijken.”
Toen kwam er een vergelijking die bij Lotte bleef hangen. We passen ons de hele dag aan. Alleen merken we het niet.
“We leven met twee mensen naast elkaar. Dat betekent dat we ons constant aanpassen aan de grens van de ander. Ik pas me aan aan de grens van de baas, we doen het constant. We passen ons aan aan de wet. Maar toch vinden we de grenzen van onze partner lastiger. Maar er is niks anders dan de wet. De wet van die persoon.”
De wet van die persoon.
Je stopt voor een rood stoplicht zonder dat je het persoonlijk opvat. Je levert je aangifte op tijd in zonder dat je denkt dat de Belastingdienst niet van je houdt. Een regel is een regel. Je past je aan en je leeft verder.
Maar als je partner zegt dat hij vanavond even geen zin heeft in visite, of als je vriendin zegt dat ze dit weekend niet kan, dan voelt het ineens als afwijzing. Terwijl het niks anders is dan haar wet. Haar grens. Haar hart, hardop.
En andersom geldt het net zo. Jouw grens is jouw wet. Daar hoeft niemand van te schrikken. Daar hoef jij ook niet van te schrikken.
Bij een moeder die zo gekwetst kan reageren, leer je als kind iets heel specifieks. Je leert je grenzen uitspreken met een vraagteken erachter. Alsof je toestemming vraagt.
Ik zei het tegen Lotte zo: “Mijn grenzen doen ertoe, klopt. En dan geen vraagteken. In plaats van: doen mijn grenzen ertoe? Dat is de houding die je moeder bij je creëert. Doen mijn grenzen ertoe? Maar er moet geen vraagteken zijn. Er moet een uitroepteken zijn. Waarom? Omdat het liefde is.”
Mijn grenzen doen ertoe!
Voel het verschil maar eens in je lijf. Zeg hem hardop met een vraagteken. Doen mijn grenzen ertoe? Je stem gaat omhoog aan het eind. Je schouders ook. Je kijkt naar de ander om te zien of het goed is.
En zeg hem nu met een uitroepteken. Mijn grenzen doen ertoe! Je stem zakt. Je voeten staan steviger. Je kijkt niet meer naar buiten. Je staat op je eigen grond.
Belangrijk: het uitroepteken is geen schreeuw. Ik zei er meteen bij: “En niet bewijzen, niet vanuit een harde plek. Dat is wat ik belangrijk vind. Ik heb niks te bewijzen aan je. Zie je me? Nee, het is duidelijk dat je hem niet ziet. Ik ga het nog een keer communiceren. Zie je me? Zie je mijn kinderen? Ik ga het nog een keer communiceren.”
Rustig. Nog een keer. Zonder het harder te zeggen. Zonder het beter uit te leggen. Gewoon nog een keer.
Toen Lotte vertelde over de vriendschappen die doodbloedden, zei ik iets wat ik zelf ook pas heel laat heb geleerd.
“Er is niks zo krachtig als: niemand kan jou de liefde ontnemen als je van jezelf houdt. Dat is niet egoïstisch.”
Lotte was eerlijk: “Nee, maar dat is natuurlijk niet iets wat ik zo geleerd heb.”
Nee. Dat leren de meeste vrouwen niet. De meeste vrouwen leren dat liefde iets is wat je krijgt als je het goed doet. Als je lief bent, behulpzaam, makkelijk. En dat de liefde weg kan gaan als je dat niet meer bent.
“Schrijf die zin op,” zei ik. “Niemand kan mij de liefde ontnemen als ik van mezelf hou. Niemand kan mij de liefde ontnemen als ik van mezelf hou.”
En toen richtte ik me tot het kleine meisje in haar. Want daar zit de angst. Niet bij de volwassen vrouw met haar gezin en haar huis. Bij het meisje dat ooit leerde dat mama haar liefde kon terugtrekken.
“Hé, klein meisje, je mag van jezelf houden. Je bent oké. Je bent oké. Je hoeft niet bang te zijn. Je mag lekker naast me zitten op de achterbank. Je verdient liefde, punt. Je verdient onvoorwaardelijke liefde. Niet voorwaardelijke liefde waarbij je je grenzen moet verloochenen. Onvoorwaardelijk is onvoorwaardelijk. Ik hou van wie je bent. Of je nou grenzen hebt of geen grenzen.”
Op de achterbank. Niet achter het stuur. Het kleine meisje mag mee, ze hoort erbij, maar ze bepaalt niet meer waar de auto naartoe gaat. Dat doet de volwassen vrouw.
En die volwassen vrouw mag in haar eigen gezin iets anders kiezen dan wat ze zelf meekreeg. Ik zei het zo: “Dat je moeder heel graag aan het model van voorwaardelijke liefde wil vasthouden, betekent niet dat jij dat spelletje mee moet spelen. Nee. In dit gezin doen wij aan onvoorwaardelijke liefde.”
Haar moeder zou binnenkort weer een paar dagen in de buurt zijn. En de vraag die dan altijd opkomt, is: hoe gaat zij reageren? Begrijpelijk. Maar daar zit precies de val.
“Daarom moet je ook geen verwachting hebben over wat de ander doet. Maar vooral verwachting hebben: hoe blijf ik bij mezelf? Want je hebt namelijk hoeveel invloed op je moeder?”
“Nee,” zei ze. “Je weet niet wat een ander doet.”
“Je weet niet hoe ze reageren. Het enige wat jij kan doen is: mijn verwachting is dat ik naar mezelf blijf luisteren. Mijn verwachting is dat ik blijf communiceren hoeveel ik van mezelf hou en van mijn kinderen hou. Mijn verwachting is dat ik het lastig ga vinden, maar dat ik dicht bij mezelf blijf. Want dat mag imperfect.”
Dat mag imperfect.
Het hoeft niet mooi. Het hoeft niet rustig en evenwichtig en precies goed geformuleerd. Je stem mag trillen. Je mag na afloop in de auto zitten bijkomen. Het gaat er niet om dat de ander het goed opvat. Het gaat erom dat jij bij jou bent gebleven.
En ik vertelde haar waarom dit bij haar moeder zo zwaar weegt. “Er is niks krachtiger dan het doen bij waar het patroon gestart is. Bij vrienden is het makkelijker, met een collega ook. Maar met de starter van het patroon, als dat lukt, is er niks krachtiger dan dat.”
Ik weet waar ik het over heb: “Ik heb het eerst bij mijn ouders geleerd, en daardoor was het heel makkelijk om het bij anderen te doen. Ik maakte het mezelf heel moeilijk.” Maar het werkte. Wie het bij de bron leert, heeft het daarna overal bij zich.
En toen kwam het mooiste moment van dat stuk van de sessie. Lotte bleek het eigenlijk al gedaan te hebben. Haar moeder had haar iets gevraagd, en Lotte had meteen nee gezegd. Zonder uitleg.
“Ja, want ook met het feit dat ik meteen nee zei en eigenlijk ook geen uitleg gaf. Ik had wel dat ik dacht: was dat niet heel bot? Maar achteraf denk ik: nee, dit is het ook gewoon. Ik hoef dat niet uit te leggen. Ik wil het gewoon niet.”
Ik zei: “No is a full sentence.”
Nee is een volledige zin.
Herken je dat? Dat je nee zegt, en dat er dan meteen drie alinea’s uitleg achteraan komen? Nee, want de kinderen hebben die dag zwemles, en ik moet ook nog die offerte afmaken, en eigenlijk ben ik ook een beetje moe, en sorry hoor, ik vind het echt heel vervelend. Alsof je nee pas mag als het een goede reden heeft. Alsof de ander moet goedkeuren of je nee geldig is.
Die uitleg is geen beleefdheid. Die uitleg is het kleine meisje dat hoopt dat mama niet boos wordt.
Lotte vroeg zich af of het bot was. Het was niet bot. Het was helder. En voor iemand die haar hele leven heeft uitgelegd, voelt helder in het begin altijd als bot. Dat hoort erbij. Dat gevoel slijt.
Ik gaf haar daarna nog iets terug, want dat verdiende ze. “Je bent een mooie, diepe denker. Ik vind het knap hoe je het op jezelf probeert te betrekken, echt actief te luisteren. […] Het aanpassen aan je moeder heeft je ook een uniek talent gegeven.”
Want dat is ook waar. Het vermogen om zo goed aan te voelen wat een ander nodig heeft, is een gave. Je hoeft het niet weg te gooien. Je mag het alleen ook op jezelf richten.
In een ander stuk van die sessie vertelde ik wat ik doe als mijn dochter een grens aangeeft. Ik geef een applaus.
“Heel goed aangegeven, heel goed. Wat mooi, ik respecteer je grenzen. Je grenzen mogen er zijn, ik hou van je.”
Stel je eens voor dat jij dat als meisje had gehoord. Dat je nee zei tegen je moeder en dat ze dan zei: wat goed dat je dat aangeeft. Ik hou van je.
Hoe anders zou je vandaag naar grenzen kijken? Zou het dan nog voelen als iets lelijks? Als iets wat liefde kost?
Dat applaus heb je misschien niet gekregen. Maar je kunt het je kinderen wel geven. En je kunt het jezelf geven. Elke keer dat jij een grens aangeeft, mag jij zelf in je handen klappen. Letterlijk, als je wilt. Goed aangegeven. Ik hou van je.
En je kinderen kijken mee. Elke keer dat jij rustig en zonder drie alinea’s uitleg nee zegt, leren zij dat het mag. Dat een grens geen ruzie is. Dat je kunt zeggen wat je nodig hebt en dat de liefde dan blijft.
Misschien ben jij ook zo’n mamabeer. Als iemand iets lelijks zegt over je kind, sta je er meteen. Als de juf je zoon onterecht op de gang zet, bel je dezelfde middag nog. Daar twijfel je niet.
Maar als een klant jouw prijs ter discussie stelt, geef je korting voordat ze het vraagt. Als je moeder iets zegt over hoe je je huis bijhoudt, lach je het weg. Als een vriendin voor de derde keer op het laatste moment afzegt, zeg je: geeft niks hoor.
Geeft niks hoor.
Het geeft wel wat. Het geeft wel wat aan jou. Elke keer dat je je grens inslikt, laat je aan jezelf zien dat jij er minder toe doet dan de ander. En kinderen kijken niet naar wat je zegt. Ze kijken naar wat je doet.
De vraag is niet of je een grens mag hebben. Die heb je al. Je voelt hem in je buik, in je kaak, in die zucht als je ophangt. De vraag is of je hem laat zien. Of je de wereld laat zien hoeveel je van jezelf houdt.
Een grens is geen muur. Het is een liefdesverklaring. Aan jou.
1. Schrijf de twee zinnen op. Pak een kaartje of een post-it en schrijf: “Je grenzen aangeven is de beste manier om andere mensen te laten zien hoeveel jij van jezelf houdt.” En daaronder: “Niemand kan mij de liefde ontnemen als ik van mezelf hou.” Hang het op een plek waar je het elke dag ziet. Bij de spiegel in de badkamer, op de koelkast, naast je laptop. Lees het hardop als je er langs loopt.
2. Zet een uitroepteken achter één grens. Kies deze week één ding dat je nodig hebt en schrijf het op met een uitroepteken. “Mijn avond na negen uur doet ertoe!” “Mijn prijs doet ertoe!” “Mijn rust op zondag doet ertoe!” Zeg het één keer hardop, in je eentje, en voel wat er in je lijf gebeurt. Zeg het daarna tegen degene voor wie het bedoeld is. Rustig. Zonder het harder te maken.
3. Zeg één keer nee zonder uitleg. Alleen nee. Of “nee, dat lukt me niet”. Punt. Merk hoe sterk de neiging is om er een reden achteraan te plakken. Ga er maar lekker in zitten. Het mag ongemakkelijk voelen. Nee is een volledige zin.
4. Geef een applaus. Als je kind deze week een grens aangeeft, ook als die je even niet uitkomt, zeg dan: “Goed dat je dat aangeeft. Je grenzen mogen er zijn, ik hou van je.” En als jij zelf een grens hebt aangegeven, leg je hand op je hart en geef jezelf datzelfde applaus.
Je mag een mamabeer zijn. Ook voor jezelf.
Lees ook Straks-mama: waarom jouw tijd voor jezelf je kinderen iets leert en Angst gaat niet weg, jij wordt groter: de grootste misvatting over spannende keuzes.
Ben jij een ondernemende moeder die hierin vastloopt? Lees hoe ik werk als coach voor ondernemende moeders.
Zet hem op deze week.
Liefs,
Jonathan
Ontdek in een gratis Mini Familieopstelling waar jouw patronen vandaan komen.