
Mijn dochter heeft geen zin om te eten. Dus ze gaat spelen. Met de kwark. Ze smeert hem uit, over hetzelfde stuk, nog een keer en nog een keer. En dan gaat er iets op de grond.
Een kind dat met eten speelt. Meer is het niet. Elk kind doet het. Elke ouder kent het.
En toch gebeurt er in mij iets wat veel groter is dan een bakje kwark.
Ik heb het onlangs zo verteld aan een klant: “Dan smijt ze wat op de grond, iets wat ik als kind totaal niet mocht doen. […] En mijn innerlijke, bange kind, die komt helemaal naar boven. Van mijn vader, mijn moeder, mijn hele zenuwstelsel reageert heftiger dan wat er eigenlijk gebeurt. Mijn kind speelt gewoon met eten. Mijn zenuwstelsel staat helemaal aan.”
Lees die laatste twee zinnen nog eens naast elkaar.
Mijn kind speelt gewoon met eten. Mijn zenuwstelsel staat helemaal aan.
Dat is het hele verhaal van deze blog. Aan die tafel zit een vader. Een volwassen man die weet wat hij doet, die hier al jaren mee bezig is, die er zelfs zijn werk van heeft gemaakt. En aan diezelfde tafel zit ineens ook een klein jongetje. Een jongetje dat bang is. Omdat er vroeger iets gebeurde als er eten op de grond lag.
“Mijn kleine kindje zit daar,” zei ik. Hij zit ook bij mijn dochter aan tafel.
Ik vertel je dit niet omdat ik het zo goed heb opgelost. Ik vertel het omdat ik het nog steeds niet altijd goed doe. En omdat ik de vrouw over wie deze blog gaat precies dat wilde laten zien: dat het lijstje dat zij net had gemaakt, het lijstje dat ze zelf een beetje stom vond, ook in mijn huis nog elke keer nodig is.
Ik noem haar Lotte. Eind dertig, moeder van twee jonge kinderen. Een vrouw die zich verantwoordelijk voelt voor iedereen. Voor haar kinderen, haar partner, haar collega’s, de mensen voor wie ze werkt. En een vrouw die bang is voor afwijzing, zo diep dat ze vaak pas achteraf doorheeft dat ze zichzelf weer heeft weggecijferd.
Op haar werk kent ze signaleringsplannen. Een overzicht van hoe het met iemand gaat in groen, geel, oranje en rood. Wat je dan ziet. En wat er dan nodig is. Voor de mensen om haar heen kan ze dat dromen.
Dus gaf ik haar een opdracht. Ik zei: “Jouw signaleringsplan is nu: wat doe ik met code rood? Schrijf je eigen signaleringsplan, voor de angst voor afwijzing. En je wil in groen zitten, je wil de cliënt gelukkig houden. Jij bent de motherfucking cliënt, weet je wel.”
Jij bent de cliënt.
Voor zoveel vrouwen die bij mij komen is dat een vreemde gedachte. Ze weten precies wanneer hun kind moe is. Ze zien aan de schouders van hun partner dat het een rotdag was. Ze voelen een klant aan voordat die zijn mail heeft verstuurd. Maar wanneer zijzelf in het oranje zitten? Geen idee. Dat merken ze pas als ze al in het rood staan te schreeuwen, of in tranen in de auto zitten.
Ik zei er nog iets bij: “Gebruik je man ervoor. Wat gebeurt er als ik geïrriteerd ben? […] Gebruik je kinderen. […] En wanneer is mami een beetje cranky of onrustig, weet je wel, schrijf het op.”
De keer daarna begon ik niet bij het plan. Ik begon bij een vraag. “Schrijf deze zin op. Voel ik me veilig in mezelf en bij mezelf?”
Het werd stil. Ik zag haar denken. Dus ik vroeg: “Wat gebeurt er überhaupt met je met die vraag? Want ik zie dat je lang mijmert. Wat is die eerste reactie?”
Ze was eerlijk. “Ja, in eerste instantie denk ik: ja, dat weet ik niet, maar… En dan ga ik zoeken naar wanneer ik dat dan wel heb.”
Herken je dat? Dat je bij zo’n vraag eerst een leeg vakje voelt? Dat je moet gaan zoeken naar momenten waarop het wel zo was, omdat het niet vanzelf je basis is?
Ik vroeg haar waarom ze dacht dat deze vraag belangrijk was, na alles wat we besproken hadden. Ze zei: “Om terug bij jezelf te blijven in dit soort situaties, of bij jezelf te komen.”
Precies.
En toen legde ik uit waarom ik juist hier wilde beginnen:
“Onveiligheid maakt een onrustig zenuwstelsel, omdat je rare sprongen gaat maken. Soms moet je eerst veilig zijn, of jezelf veilig houden, voordat je pas kan leren om dieper naar je gevoel te gaan. […] Soms zit dat oerinstinct van help, de sabeltandtijger, help, help, waardoor je je dus totaal onveilig voelt en je zenuwstelsel in de survivalmechanismen van fight, flight of freeze terechtkomt.”
Daar zit iets wat veel vrouwen overslaan. Ze willen dieper. Ze willen begrijpen waar het vandaan komt, ze willen het innerlijke kind leren kennen, ze willen hun patronen doorbreken. Allemaal mooi. Maar als je lijf ondertussen staat te schreeuwen dat er een tijger in de kamer is, kom je nergens. Een kind dat bang is, gaat niet zitten praten over zijn gevoelens. Een kind dat bang is, wil eerst weten dat het veilig is.
Jij ook.
Ik zei tegen Lotte dat we weer bij dat signaleringsplan uitkwamen, “waar je waarschijnlijk nog niet de tijd voor hebt genomen, maar waarvan ik hoop dat je wel de tijd hebt.”
En toen liet ze hem zien. Ze had hem gemaakt.
“Serieus! Oh, ik ben trots op je, knap!”
Ik meende het. Want ik weet hoe vaak zo’n opdracht blijft liggen. En ze had hem niet eens alleen gemaakt. Ze had er met haar partner naar zitten kijken. “Leuk dat je dat met je man hebt gedaan,” zei ik. “Want hij kent je het beste. Die weet meteen wanneer jij getriggerd bent. En dus niet altijd even makkelijk te ontvangen, natuurlijk.”
Ze vertelde dat er veel op stond wat ze zelf ook al wist. Dat ze direct na onze vorige sessie was begonnen en dat het daarna een tijd had gelegen. “Maar doordat ik er wel mee begonnen was, ben ik wel bewuster dat ik het zie.”
Zie je wat daar staat? Het plan was niet eens af. En het werkte al. Alleen al door het op te schrijven, zag ze het vaker. Dat is wat bewustwording doet. Het hoeft niet perfect te zijn om te werken.
Maar er ontbrak iets. Ze zei het zelf: “Maar ik was nog niet zo ver met, dat had ik dus nog niet ingevuld, van: wat heb ik nodig en hoe kom ik naar groen.”
En daar wilde ik naartoe.
De meeste mensen stoppen bij herkennen. Ze weten na een tijdje heel goed hoe hun rood eruitziet. De kaak die strak staat. De korte zinnetjes. Het poetsen, het scrollen, het stil worden. Mooi. Maar dan sta je in het rood en weet je dat je in het rood staat. En dan?
Ik zei: “Groen is dit, geel is dat, oranje en rood. Soms kun je geel ook overslaan […] dan doe je drie lagen. En dat hangt dan dus ook weer samen met: ik ben dus nu onveilig, hoe voel ik me dus weer veilig in mezelf? Wat heb jij daarvoor nodig? Al weet je twee dingen, dan is dat iets waar je de komende tijd mee kan oefenen.”
Al weet je twee dingen. Meer hoeft niet.
“Ik laat je lekker lang nadenken,” zei ik. En dat deed ik ook.
Na een tijdje kwam het eerste. “Ik moet soms wel even uit die ruimte stappen. […] En dan eventjes, ja, gewoon alleen met mezelf ontprikkelen.” En meteen erachteraan, want zo werkt een hoofd dat altijd aan de ander denkt: “Maar ja, dat zijn niet per se dingen die ik in een gesprek kan doen.”
“Nee,” zei ik, “maar dit is wel goed om te weten. Als het kan, dan heb je automatisch: oké, dat is één. Als het niet kan, stap twee.”
Ze dacht verder. “Toch ergens op een manier even een break moet creëren in zo’n gesprek.”
Dit is het moment waarop veel vrouwen vastlopen. Ze voelen dat ze een pauze nodig hebben, midden in een gesprek met een collega, met hun moeder, met hun partner. Maar een pauze nemen voelt onbeleefd. Lastig. Alsof je je aanstelt. Dus blijven ze zitten. En reageren vanuit het rood.
Ik gaf haar een paar zinnen:
“Of geef me heel eventjes. Of laat me erover nadenken. Ik merk dat het wat met me doet. En je wil ook niet het konijn dat in de koplampen kijkt, de manier van communiceren hebben. Want daar voel je je ook niet sterk door. […] Je wil je sterk voelen. […] Je wil ook wel gewoon krachtig zeggen van: ja, ik heb even de ruimte nodig. Of: ik zeg niet meteen ja hierop. Geef me heel eventjes om erover na te denken. Of: ik weet het antwoord nu eventjes niet. Ook zoiets. Of: daar kan ik nu geen antwoord op geven. Of gewoon letterlijk even naar de wc.”
Even naar de wc.
Ze vond het knullig. Dat zei ze ook. En ik snap dat. Het klinkt zo klein. Zo gewoon. Maar ik zei: “Als dat voor jou dan werkt, prima.”
Want het gaat er niet om dat het mooi oogt. Het gaat erom wat er in je lijf gebeurt. Ik legde het zo uit: je maakt “van de sneltrein in je zenuwstelsel, die ontspoord is, een stoptrein. Of je stapt letterlijk uit de trein. Ik moet door, ik moet door, ik moet reageren, ik moet iets doen, ik moet bewijzen of wat. Ik stap uit.”
Ik stap uit.
Voor een vrouw die haar hele leven heeft geleerd om te blijven staan, om het op te lossen, om iedereen tevreden te houden, is dat misschien wel de spannendste zin die er bestaat. En tegelijk de meest liefdevolle. Want wie uitstapt, kiest even voor het kleine meisje in de trein in plaats van voor de mensen op het perron.
Hoe dat uitstappen er bij mij uitziet? Dan kom ik weer bij mijn dochter aan tafel.
“Iets wat ik bij mijn dochter nu heel veel doe als ik getriggerd word,” vertelde ik Lotte, “is door mijn neus ademen.”
En niet altijd lukt dat. “Laatst vond ik het zo lastig. Ik was wel moe, ik had een hele leuke dag gehad, en ik zeg tegen mijn vrouw: het lukt me eventjes niet.”
Soms ga ik dan eerder van tafel. Dan ruim ik de borden op in de keuken. “Dan eventjes uit die ruimte, als dat voor nu helpt. Zonder mezelf te veroordelen, dan is dat prima. Ik ben daar nog niet altijd. En dat is ook goed.”
Mijn vrouw kan dat zien en respecteren. En dat is belangrijk, want het gaat mij niet om mij. Het gaat mij om haar, om dat meisje met de kwark. Ik zei het zo: “Het gaat mij erom dat mijn kind gezien moet worden en een kind mag blijven. Dat betekent niet dat ik geen grenzen aangeef. Maar dat betekent dat ik het geduld niet heb om zes keer de grens aan te geven. En dat ik na twee, drie keer, onder vermoeidheid en alles wat erbij komt, niet kalm kan blijven zoals mijn dochter verdient. En ik kan niet kalm blijven omdat het mezelf meeneemt.”
Omdat het mezelf meeneemt. Niet omdat zij iets ergs doet.
En als ik er alleen voor sta, zonder mijn vrouw erbij? Dan gaat het zo:
“Dan zeg ik: ja, deze hier, het is nu klaar. En dan loop ik blazend naar de keuken in mijn eentje, met mijn neus, en dan pak ik een doek. En dan maak ik die helemaal nat en ik zeg: maak maar schoon. En dan blijf ik een seconde langer hangen om mijn zenuwstelsel weer gerust te maken. Van: oh, maar wacht, ik neem mezelf mee. Ik ben mens.”
Een seconde langer bij het aanrecht. Met een natte doek in mijn hand. Dat is geen grote spirituele doorbraak. Dat is gewoon een vader die even uit de trein stapt, zodat hij niet tegen zijn dochter gaat doen wat er ooit tegen hem gedaan is.
“En dit bedoel ik met een kwetsbaar voorbeeld,” zei ik tegen Lotte. “Dit is waar ik ook nog steeds tegen adem. En dat wordt niet getriggerd als ik mijn dochter niet heb, want mijn vrouw speelt niet met eten en ik ook niet.”
Lotte herkende het meteen. “Nee, kinderen, die zijn heel leuk daarin, ja.”
Dat is precies het punt. Ik zei: “Alleen als je een kind hebt van dezelfde leeftijd als waarop in jouw familiesysteem die situaties voorkwamen, daarom is het dus juist triggerend als je kinderen hebt. Heel makkelijk om aan jezelf te werken met deze stukken als je nog geen kinderen hebt.”
Je kunt jaren denken dat je het allemaal wel verwerkt hebt. Tot je kind de leeftijd heeft die jij had toen het misging. En dan zit je ineens weer aan die oude tafel. Je kinderen doen niks verkeerd. Ze zijn gewoon kind. Ze vinden alleen precies de knoppen die jij vergeten was.
Lotte wilde daar iets tegenover zetten, iets moois over wat kinderen je ook geven. En dat klopt. Ik zei: “Maar als je bereid bent om het te zien, te voelen en daaraan te werken, een cyclusdoorbreker te zijn. Om dus echt te zeggen: ik geef het niet door zonder na te denken, op precies dezelfde manier als wat mijn ouders deden. Dat is het grootste. Ik kies zelf.”
Ik kies zelf. Dat is het verschil tussen het jongetje aan tafel en de vader aan tafel. Allebei zijn ze er. Alleen één van de twee mag kiezen wat er gebeurt.
Het gaat niet alleen om je kinderen. In een ander gesprek met Lotte vertelde ik hoe het gaat als mijn vrouw en ik ruzie hebben. Want daar zitten ook twee kinderen aan tafel.
“Als we ruzie hebben en ik zit in mijn kindstuk, kan ik haar stuk niet zien. Ik moet weer terugkomen naar de volwassen versie van mij, die weer een kalm zenuwstelsel heeft, die niet wil vechten om gezien te worden. En het probleem bij ons: als ik vecht om gezien te worden, reageer ik zo dat ik bij haar trigger en zij gaat vechten om gezien te worden. […] Hoe meer ik ga vechten om gezien te worden, hoe meer zij zich afsluit en zich niet gezien voelt. En dan zitten we daar allebei als twee kindjes, die zitten te vechten om gezien te worden. En één van ons moet dan opstaan.”
Soms doet zij dat. Soms doe ik dat. En als ik het ben, gaat het zo: “Dan komt er een volwassen versie van mij en dan zeg ik: ik had ongelijk, dat spijt me. En ik probeer te kalmeren en ik probeer te verbinden en te zien waar zij vandaan komt. Terwijl het innerlijke kindje mij nog toeschreeuwt: zie me, zie me, zie me.”
Dat jongetje gaat niet weg. Ook niet als ik sorry zeg. Hij staat er nog, en hij roept nog. Het verschil is dat hij niet meer aan het stuur zit.
Lotte vertelde welke twee dingen ze op haar plan zette. “Ik kan uit de situatie stappen. En anders objectief mijn gevoel benoemen. En dat ik dus daardoor de tijd krijg om ook eventjes weer bij mezelf te komen, voordat ik verder ga in een gesprek.”
Twee dingen. Precies genoeg.
En toen zei ik er iets achteraan wat ik eigenlijk tegen iedereen wil zeggen die dit gaat oefenen. Want het gaat niet meteen netjes. Het gaat niet met een rustige stem en een perfect geformuleerde zin. “Als het met een traan is, als het met geschreeuw is, als het met wat dan ook is: daarin dus jezelf niet veroordelen. En dat het soms ook niet anders kan. Soms lukt het niet anders. Soms kan ik niet anders dan een harde nee zeggen tegen mijn moeder. Want ik kan je garanderen: de vijfde keer dat je het doet, zul je waarschijnlijk minder huilen dan de eerste keer.”
De vijfde keer huil je minder dan de eerste keer. Dat is geen falen. Dat is oefenen.
“Het mag imperfect zijn,” zei ik. “Want dat is dus liefde, wederom, richting jezelf. […] Dan maar lelijk de veiligheid bij jezelf creëren. Who gives a… Ik ben mens. Ik heb imperfect van mezelf gehouden.”
Ik heb imperfect van mezelf gehouden. Misschien is dat wel de mooiste zin die je over een moeilijke dag kunt zeggen.
Als ik alles wat ik doe moet terugbrengen tot twee zinnen, dan zijn het deze. Ik zei het zo tegen Lotte:
“De belangrijkste dingen die ik mijn klanten wil leren, is één: ik ben veilig. En twee: ik ben genoeg. Dus als al mijn klanten gewoon die twee dingen hebben, één ik ben veilig en twee ik ben genoeg, kan de wereld hen niks meer maken. Veiligheid creëer ik zelf en ik hou van mezelf. En overal waar ik naartoe kom, neem ik die veiligheid mee.”
“Wat anderen ook vinden, ik blijf van mezelf houden. Hoe ongemakkelijk ik me ook voel, ik kan die veiligheid weer terugbrengen door mezelf weer veilig te houden.”
Daar zit het verschil met hoe de meeste vrouwen het geleerd hebben. Zij hebben geleerd dat veiligheid van buiten komt. Als mama niet boos is. Als de collega tevreden is. Als iedereen aan tafel rustig zit. Dus scannen ze. De hele dag. Is iedereen oké? Dan ben ik oké.
Maar dan is jouw veiligheid altijd in handen van een ander. Van een bakje kwark, als je pech hebt.
Ik vroeg Lotte: als je die veiligheid zelf kunt maken, voor je zenuwstelsel, voor je grenzen, voor je behoeftes, “wat denk je, hoe je dan in het leven zou staan?”
“Een stuk relaxer.”
Ik wil niet de indruk wekken dat ik daar ben. Dat zei ik ook tegen haar. “Mijn streven is om de zenmonnik te worden, maar ik ga het nu even nooit zijn. Want ik ben een mens. En ik heb geen tijd om acht uur per dag te mediteren en helemaal met mijn gevoelens te kijken en dat soort dingen. Dus de wereld triggert mij en daar mag ik op reageren.”
Wat dan wel het verschil is?
“Het grote verschil is, door middel van dit werk en door middel van de bewustwording, is de tijd ertussen steeds kleiner. De tijd dat het invloed heeft op jou, op je zenuwstelsel, wordt steeds korter.”
Ik gaf haar een voorbeeld uit haar eigen leven. Een collega die haar enorm raakt, omdat ze op haar moeder lijkt. Zo’n collega waar je, zoals ik het zei, “de nachten van wakker kan liggen”. Waar je bijvoorbeeld drie dagen tot een week last van hebt. En straks? “Het gebeurt wat, ik heb het door, ik kan het naast me neerleggen. Oh wacht, het is een trigger, het lijkt op mijn moeder. Wacht, zij is zichzelf, het heeft niks met mij te maken. Oké. En dan, voor je het weet, doe je de deur van je werk dicht of stap je in de auto en is het klaar. En dan denk je er niet meer aan.”
Van een week naar een autorit. Van een avond chagrijnig door het huis lopen naar een seconde langer bij het aanrecht.
Daar gaat het om. Niet om nooit meer geraakt worden. Wel om sneller terug zijn.
Ik vroeg haar hoe het voelde om een beetje te weten hoe ze zichzelf veilig kan houden. Ze zei: “Ja, ik denk dat ik dat wel bewuster moet gaan inzetten.”
Misschien zit jij ook weleens aan zo’n tafel. Het is half zes. Je hebt de hele dag gewerkt, de boodschappen gedaan, de mails nog niet af. Je zoon gooit zijn beker om. Of je dochter weigert haar broccoli en duwt het bord weg. Of ze maken ruzie over wie naast jou mag zitten.
En je voelt het komen. Je kaak. Je schouders. Een stem in je hoofd die heel erg lijkt op die van je moeder.
Dat is niet jouw kind dat je raakt. Dat is het meisje in jou dat ooit leerde dat dit gevaarlijk was. Dat er iets gebeurde als het rommelig werd, als er gemorst werd, als het niet liep zoals het hoorde.
Je hoeft je daar niet voor te schamen. Echt niet. Ik zit er ook nog. Maar je mag er ook niet meer blind voor blijven. Want aan jouw tafel zit een kind dat gewoon kind mag zijn. En dat verdient een moeder die even uit de trein kan stappen.
Jij bent de cliënt. Jij mag weten wat jij nodig hebt om terug naar groen te komen.
1. Schrijf de vraag op en stel hem drie keer per dag. Pak een briefje en schrijf erop: “Voel ik me veilig in mezelf en bij mezelf?” Leg het op een plek waar je het ziet. Stel jezelf de vraag bij het ontbijt, aan het eind van je werkdag en aan tafel bij het avondeten. Let op je eerste reactie. Is het een leeg vakje? Moet je zoeken? Dat is geen fout. Dat is informatie.
2. Maak je eigen signaleringsplan, met de weg terug. Neem een vel papier en maak drie of vier vakken: groen, geel, oranje, rood. Schrijf per kleur op wat je merkt in je lijf en wat je doet. Vraag je partner om het aan te vullen. Hij ziet het eerder dan jij, ook al is dat niet altijd makkelijk om te horen. En dan het belangrijkste deel, het deel dat bijna iedereen overslaat: schrijf onder oranje en rood wat jij nodig hebt om terug naar groen te komen. Twee dingen is genoeg. Eén voor als je de ruimte uit kunt. Eén voor als dat niet kan.
3. Kies je uitstapzin en oefen hem. Kies één zin die bij je past. “Geef me heel even.” “Ik merk dat het wat met me doet, laat me erover nadenken.” “Daar kan ik nu geen antwoord op geven.” Of gewoon: “Ik moet even naar de wc.” Gebruik hem deze week minstens één keer. Adem daarna door je neus en blijf een seconde langer staan dan je gewend bent. Leg je hand op je hart en zeg in jezelf: “Ik ben veilig. Ik ben genoeg.”
Je hoeft geen zenmonnik te worden. De tijd ertussen mag gewoon korter worden. Een seconde per keer.
Lees ook Pijn is je kompas: wat een jeugd zonder steun mij ook heeft gegeven en Ik hoor je: zo spreek je de stem in jou toe die steeds harder schreeuwt.
Wil je weten hoe ik werk met het meisje dat jij ooit was? Lees meer over innerlijk kindwerk.
Zet hem op deze week.
Liefs,
Jonathan
Ontdek in een gratis Mini Familieopstelling waar jouw patronen vandaan komen.