
Er was een tijd dat ik twaalf uur per week in de gym stond.
Ik was ripped. Mijn lichaam was zo gespierd. Ik keek elke dag in de spiegel.
En weet je wat ik dacht als ik in die spiegel keek?
Niet goed genoeg.
Er was altijd iets. Altijd weer iets waar ik aan kon werken. Ik zei het in een sessie zo:
“Sprekend van mijzelf, die twaalf uur in de gym stond, ripped, keek in de spiegel. En mijn lichaam was zo gespierd, maar ik bleef mezelf niet goed genoeg vinden en altijd iets te vinden waar ik weer aan kon werken. Omdat wat ik in mijn hoofd voelde, dat het altijd beter kon, waardoor wat ik ook zag, altijd beter kon.”
Lees die laatste zin nog eens.
Omdat wat ik in mijn hoofd voelde, dat het altijd beter kon, waardoor wat ik ook zag, altijd beter kon.
Het probleem zat niet in mijn lichaam. Het zat niet in de spiegel. Het zat in de bril waarmee ik keek. En met die bril maakte het niet uit hoeveel uur ik nog extra zou trainen. Twaalf uur. Vijftien uur. Twintig uur. Ik zou altijd iets vinden.
Dat is wat ik pas veel later begreep. En wat ik nu, als coach, bijna elke week terugzie bij vrouwen die tegenover me zitten.
Ik noem haar Merel. Een vrouw van begin dertig, die op papier alles op orde heeft en toch vaak het gevoel heeft dat ze faalt. Het moet altijd meer, beter, sterker, gezonder.
In onze eerste sessie vertelde ze dat ze twee weken eerder weer gezond was gaan eten. Iets wat ze al een paar keer had geprobeerd, en waar ze steeds weer uit was gevallen. Nu ging het goed.
Dus ik vroeg: “Ben je heel trots op jezelf?”
“Kan altijd beter.”
Daar was hij al. Binnen twee seconden. Ze ging verder: “Maar ik ben wel echt al, ja, ik zit nu wel daarin in een goede vibe van: yes, we zitten er weer goed in. En dat heb ik een aantal keer geprobeerd, maar heb ik weer een soort terugval gehad daarin.”
Ik vroeg het nog een keer. “Ben je nu trots op jezelf? Dat je nu al twee weken dit doet?”
“Ja, ja. Maar ik hoop dat ik het vasthoud.”
Maar. Daar was hij weer.
Dus ik vroeg het een derde keer. “Maar ben je nu trots op jezelf?”
“Ja, nu. Nu gaat het goed.”
Zie je wat daar gebeurt? Ik stel drie keer dezelfde vraag. En pas bij de derde keer komt er een ja zonder “maar” erachter. Dat doe ik bewust. Ik vraag een kernvraag vaak meerdere keren, omdat het eerste antwoord bijna altijd uit het hoofd komt. Het hoofd zegt: kan beter, pas op, ik hoop dat het blijft. Pas als je blijft vragen, kom je bij het gevoel.
Misschien herken je dit. Iemand geeft je een compliment over je bedrijf, en voordat je het weet zeg je: “Ja, maar de omzet kan nog wel omhoog.” Iemand zegt dat je zo’n leuke moeder bent, en jij denkt meteen aan die keer dat je vanochtend uitviel aan het ontbijt. Iemand zegt dat je er goed uitziet, en jij wijst naar je buik.
Kan altijd beter. Het is een reflex. Zo snel dat je het niet eens meer merkt.
Dus ik haalde haar uit haar hoofd. “En waar voel je die trotsheid in je lichaam?”
Ze dacht even na. “Het is dan eerder als ik naar de spiegel kijk. Dus het is misschien niet eens … Ja, ik heb mezelf letterlijk een high five gegeven vanmorgen. Omdat ik wel dacht van: ja, ik heb het nu wel een tijd dat ik het goed vasthou.”
Een high five aan zichzelf. Dat vond ik prachtig. Maar ik hoorde ook iets anders: haar trots zat in de spiegel. Buiten haar. In wat ze kon zien.
“Zonder de spiegel?”
“Ja.”
Ik bleef erbij. “Je zei dat je nu trots op jezelf was. Waar in je lichaam voel je je trotsheid nu? Toch awesome dat je het doet. Dat al die positieve dingen eruit komen. Waaronder dus die high five, waaronder dat spiegelbeeld. Maar waar voel je dat in je lichaam? Dat je gewoon trots bent. Trots.”
Ze zocht. “Ja, ik denk een soort van in mijn …”
“Zou je de hand erop willen leggen?”
“Ja.”
Ze legde haar hand op haar buik.
“Dan zeg eens gewoon een beetje trots op jezelf. Ik ben trots. Merel, ik ben trots op je.”
Ze zei het. “Merel, ik ben trots op je.”
En ik zag het meteen. Een klein trekje met haar lip terwijl ze het zei. Alsof ze het zichzelf nog niet helemaal durfde te geven.
Dus ik zei:
“En nu zonder dat lipje zo te trekken wat je net deed. Zonder een waarde. Wederom, voel maar naar het gevoel in je buik. Dat je nu, op dit moment, genoeg bent. En dat nu voldoende is. Dat trots zijn goed is. Zonder dat er meer moet. Trots voel je nu. En dat is alles wat je moet voelen. En dat is alles wat je verdient. En zonder daar nog extra iets aan toe te plakken. Dus het gevoel in je buik mag je voelen. En meer hoeft er niet te zijn dan: Merel, ik ben trots op je. Probeer het maar eens. Zeg het maar hardop.”
“Merel, ik ben trots op je.”
En toen was ze eerlijk. “Ja, ik voel het wel, maar precies wat je zegt: ik kan ook weer, niet nu, nu, maar het kan doorstromen op een ander moment bijvoorbeeld, dat het nog beter of meer kan.”
Daar is hij weer. Zelfs midden in het voelen van trots staat de volgende maatstaf al klaar. Nog beter. Nog meer.
Ik zei: “En dat kan je al heel goed, dat het meer en beter kan. Je kunt heel goed de maatstaf van niet genoeg volgen. Dat hoef ik je niet te leren.”
“Nee, ik ben echt wel een strever en een strijder in bepaalde dingen.”
Dat is ze. En daar is niks mis mee. Een strever en een strijder krijgt veel voor elkaar. Maar als de strijder nooit mag rusten, wordt het een gevangenis.
En toen zei ik de zin waar deze hele blog om draait. Ik zei hem twee keer, omdat ik wilde dat hij bleef hangen:
“Als nu niet goed genoeg is, gaat meer ook nooit genoeg zijn. Schrijf die op.”
Ze zei: “Ja, ik wil het echt net gaan doen. Dit is een hele mooie uitspraak.”
En ik herhaalde het, met de spiegel erbij: “Als nu niet goed genoeg is, gaat meer ook nooit genoeg zijn. Als je nu niet van jezelf in de spiegel kan houden, dan maakt het niet uit hoe slank je bent. Het blijft daarin een streven.”
En toen vertelde ik haar over mijn twaalf uur in de gym.
Want dit is geen theorie voor mij. Ik heb het geleefd. Ik was die man die in een gespierd lichaam stond en zichzelf nog steeds tekort vond. En als het lichaam van toen niet genoeg was, dan was geen enkel lichaam genoeg geweest. Want het lag nooit aan het lichaam.
In een aflevering van mijn podcast Hart & Zakelijk, met Anne Quaars, zei ik het over mezelf in de derde persoon: “Jonathan vindt zichzelf vaak niet goed genoeg. En dat komt weer van kindzeer, dat komt van de pijn van niet gezien zijn door mijn ouders, en de pijn van als ik naar mezelf kijk het niet genoeg vinden. Maar ook de andere kant daarvan voelen van: als ik naar mezelf kijk, […] van: het is oké, je mag er zijn.”
Kindzeer. Daar komt het vandaan. Niet uit de spiegel. Niet uit de omzetcijfers. Uit een kind dat zich niet gezien voelde en dat ergens heeft besloten: als ik maar meer doe, als ik maar beter word, dan word ik misschien wel gezien.
Ik ging nog een laag dieper. Want hetzelfde gebeurt met dankbaarheid.
Je kent het advies vast. Wees dankbaar voor wat je hebt. Schrijf elke dag drie dingen op. En dat is een prachtige oefening, als je hem voelt. Maar als de maatstaf van niet genoeg in je hoofd zit, wordt zelfs dankbaarheid een prestatie.
Ik zei het zo, alsof ik haar binnenste stem hardop uitsprak:
“Ik voel niet dat ik er ben. Ik wil graag ergens zijn. Maar ik heb wel, en dan is het een van verplichte dankbaarheid, het dak boven mijn hoofd en de banen en alles geregeld. Maar ergens is het dan een verplichte dankbaarheid, want die dankbaarheid nu is niet goed genoeg, want ik moet eigenlijk nog dankbaarder zijn voor alles wat ik heb. Maar ik voel het niet helemaal. Omdat er altijd een maatstaf staat van meer.”
Verplichte dankbaarheid.
Herken je die? Je kijkt naar je leven. Je hebt een bedrijf opgebouwd. Je hebt kinderen. Een dak boven je hoofd. Mensen die van je houden. En je weet dat je dankbaar zou moeten zijn. Dus je zegt het ook. Tegen jezelf, tegen anderen. “Ik mag echt niet klagen.”
Maar je voelt het niet. Want ergens zit de stem: als ik nou nog vijf klanten meer had. Als ik nou eindelijk dat programma had gelanceerd. Als ik nou eindelijk die rust had gevonden. Als ik nou eens een geduldigere moeder was. Dan.
Dan zou ik pas echt mogen voelen dat het goed is.
Maar dan komt nooit. Want als nu niet goed genoeg is, gaat meer ook nooit genoeg zijn.
En dan is er nog iets. Want zelfs als je trots toelaat, staat er vaak een waakhond naast.
Ik zei het tegen Merel zo: “Ja, ik mag nu wel trots op mezelf zijn, maar pas op. Straks, maar pas op, pas op, pas op. Dat is weer angst, waardoor je die cortisol …”
Pas op. Niet te blij zijn. Niet te trots. Straks val je terug. Straks gaat het mis. Straks lachen ze je uit omdat je dacht dat je er was.
Dat is angst. En angst houdt je lijf in de stress. Ik vroeg: “Mag die cortisol ook gewoon een keer zakken? En gewoon: ja, nu is het. Het is nu. Awesome. Nu ben ik gelukkig, nu ben ik blij, nu ben ik genoeg, nu ben ik trots op mezelf.”
En toen kwam het eruit:
“I owned this motherfucking de afgelopen twee weken. I did that. Ik!”
I did that. Ik.
Wanneer heb jij dat voor het laatst tegen jezelf gezegd? Niet “het ging wel”. Niet “ik had geluk”. Niet “het kan nog beter”. Maar: ik heb dat gedaan. Ik.
Die launch die je hebt neergezet, terwijl je kind ziek thuis was. Die moeilijke klant die je toch netjes hebt begrensd. Die ochtend dat je niet uitviel, terwijl alles tegenzat. Die twee weken dat je het volhield.
I did that.
Merel zei iets in de trant van: dat moet ik voelen. En ik zei: “Dat mag je nog meer voelen. Wees niet die kritische ouder voor jezelf die je vroeger hebt gehad.”
Dat is de systemische laag onder dit hele verhaal.
De stem die zegt “kan altijd beter” is meestal niet van jou. Je hebt hem ooit gehoord. Misschien letterlijk, misschien in een blik, misschien in de stilte als je thuiskwam met een goed rapport en er niks gezegd werd. Een kind dat dat vaak genoeg meemaakt, gaat die stem zelf overnemen. Dan hoeft er niemand meer te zijn die het zegt. Dan zegt ze het zelf.
En zo word je, zonder dat je het doorhebt, de kritische ouder van je eigen innerlijke kind.
Dat meisje in jou heeft niks aan nog een criticus. Ze heeft er al genoeg gehad. Ze heeft iemand nodig die zegt: ik zie je. Ik ben trots op je. Je bent genoeg. Nu. Niet straks, als het beter is.
En misschien is het extra pijnlijk als je zelf moeder bent. Omdat je je kinderen zoveel liever die zachte stem wilt geven. Je wilt niet dat jouw dochter later in de spiegel kijkt en “niet goed genoeg” denkt. Maar kinderen leren niet van wat je zegt. Ze leren van hoe je met jezelf omgaat. Als ze zien dat mama nooit tevreden is over zichzelf, leren ze dat dat normaal is.
Een moeder die trots kan zijn op zichzelf, geeft iets door wat geen enkele les kan geven.
Later in de sessie gaf ik haar nog een beeld. Uit de gym, natuurlijk.
“Je hoeft het allemaal niet te kunnen. Het werk heb je nu gedaan. Als je de workout klaar hebt, ga je jezelf toch niet de druk opleggen om hem een tweede keer te doen?”
Als je een training af hebt, ben je klaar. Je loopt de gym uit, bezweet en moe, en je weet: dit was het voor vandaag. Je gaat niet bij de deur omdraaien om alles nog een keer te doen, omdat het eigenlijk niet genoeg was.
Maar dat is wel wat zoveel vrouwen met hun dagen doen. De dag is af. De kinderen liggen in bed. De klanten zijn geholpen. En dan begint in je hoofd de tweede ronde. Wat had beter gekund. Wat ben je vergeten. Wat moet morgen extra.
De workout is klaar. Je mag naar huis.
Ik zeg niet dat je moet stoppen met groeien. Ik ben zelf een groeier. Ik hou van leren, van beter worden, van uitdagingen. En jij waarschijnlijk ook, anders had je geen bedrijf naast je gezin.
Maar er is een verschil tussen groeien vanuit “ik ben niet genoeg” en groeien vanuit “ik ben genoeg en ik wil nog meer ontdekken”. Het eerste is een tredmolen. Het tweede is een avontuur.
In de podcast Freedom Unlocked, bij Kim de Graeve, zei ik iets over hoe ik daarmee werk met klanten: “Het gaat niet altijd om wilskracht. Wat zit daaronder? En hoeveel hou je van jezelf? En daarom gooi ik in mijn coaching zoveel zelfliefde erin, dat mensen gewoon, ja, het klinkt raar, maar dat ze gewoon naar zichzelf kunnen kijken en zeggen: ik vind je een mooie mens, en ik vind je genoeg, en ik gun je alles.”
Ik vind je een mooie mens. Ik vind je genoeg. Ik gun je alles.
Dat is de maatstaf die ik je gun. Niet “kan altijd beter”. Maar “ik vind je genoeg”. Nu. In dit lijf. Met dit bedrijf. Met deze dag die misschien niet perfect was.
Ik geef je een roze bril, en jij leert er doorheen kijken. Niet om te doen alsof alles perfect is. Maar om eindelijk te zien wat er al is.
1. Schrijf hem op. Zoals ik tegen Merel zei: schrijf die op. Pak een briefje en schrijf: “Als nu niet goed genoeg is, gaat meer ook nooit genoeg zijn.” Plak het op je spiegel, op je laptop of naast je bed. Ergens waar je het elke dag ziet.
2. Doe elke dag de trots-oefening. Kies elke dag één ding waar je trots op bent. Hoe klein ook. Leg je hand op de plek in je lijf waar je het voelt. Misschien je buik, misschien je borst. Zeg hardop: “[jouw naam], ik ben trots op je.” Zonder “maar”. Zonder half lachje. Zonder “het kan beter”. Blijf tien seconden bij het gevoel. Merk je dat je lip trekt of dat je hoofd al naar de volgende maatstaf springt? Glimlach erom en zeg het nog een keer.
3. Vang je “kan altijd beter”. Let deze week op hoe vaak je een compliment, een succes of een goed moment meteen afzwakt. Schrijf elke “maar” op die je hoort, in je hoofd of hardop. Je hoeft er nog niks mee. Alleen zien. Bewustwording is altijd de eerste stap.
4. Sluit je dag af als een workout. Zeg ’s avonds, als de dag klaar is, hardop: “De workout is klaar.” Noem drie dingen die je die dag gedaan hebt en zeg na elk ding: “I did that.” Geen tweede ronde in je hoofd. Je mag naar huis.
Je bent niet te weinig. Je bent nu al genoeg. En vanuit die plek mag je groeien, als je dat wilt.
Lees ook Een grens is geen muur: zo laat je zien hoeveel je van jezelf houdt en Straks-mama: waarom jouw tijd voor jezelf je kinderen iets leert.
Ben jij een ondernemende moeder die hierin vastloopt? Lees hoe ik werk als coach voor ondernemende moeders.
Zet hem op deze week.
Liefs,
Jonathan
Ontdek in een gratis Mini Familieopstelling waar jouw patronen vandaan komen.