Waar laat jij je boosheid? Over vrouwen die nooit leerden frustratie te uiten

Vrouw in bokshouding met gebalde vuisten

Een zin die ze niet afmaakte

Ze vertelde het aan het begin van onze sessie. “Dinsdagavond heb ik proefles van boxfit gedaan. En dat ga ik waarschijnlijk… Tenminste, ik moet nog even regelen, maar ik ga dat dan doen tot eind juni.”

Ik noem haar Lotte. Eind dertig, moeder van twee jonge kinderen. Een vrouw die zich verantwoordelijk voelt voor iedereen, die het altijd goed wil doen, en die het heel moeilijk vindt om iets voor zichzelf te kiezen.

En nu had ze dat gedaan. “Fantastisch!” zei ik. “Wat goed, ik ben trots op je. Dat is een keuze die je hebt gemaakt voor jou.”

Toen zei ze iets wat ze niet helemaal afmaakte: “Ja, had ook wel eens iets, want volgens mij is het ook gewoon wel lekker om het er allemaal even uit te…”

Uit te. Ze maakte de zin niet af.

Uit te gooien? Uit te slaan? Uit te schreeuwen? Ze zei het niet. En precies in dat stukje lucht aan het eind van haar zin zit waar ik het in deze blog over wil hebben.

Want waar mag het eigenlijk heen? Al die frustratie, al die opgekropte spanning, al die boosheid die een vrouw de hele dag inslikt omdat ze lief moet zijn, redelijk moet blijven, de vrede moet bewaren?

Meisjes leerden niet waar hun boosheid heen mocht

Ik gaf Lotte een antwoord dat groter was dan haar boxfitles. Ik zei:

“Vrouwen hebben, generaliserend gezegd, als je kijkt naar de opvoeding van vorige generaties, als je kijkt naar de opvoeding van jouw moeder, onze moeders, als je kijkt naar hoe meisjes in het algemeen worden opgevoed: meisjes wordt niet goed geleerd hoe ze met hun interne frustraties om kunnen gaan, op een positieve, fijne manier. Jongens zijn uit zichzelf agressiever, dat soort dingen, wordt ervan uitgegaan dat we agressiever mogen zijn. Er zit toch een heel groot stigma op agressie en frustratie bij vrouwen, en hoe je dat dus op een gezonde manier ook kan en mag uiten.”

Denk er even over na. Een jongen die stampt, is een jongen. Een jongen die vecht op het schoolplein, is aan het stoeien. Maar een meisje dat stampt, is lastig. Een meisje dat haar stem verheft, is hysterisch. Een meisje dat boos is, moet eerst even afkoelen op haar kamer en mag terugkomen als ze weer lief is.

Niemand zegt het hardop. Maar ieder meisje voelt het. Je mag verdrietig zijn. Je mag teleurgesteld zijn. Maar boos? Dan ben je niet meer lief. En wie niet lief is, krijgt minder liefde.

Dus wat leer je dan als meisje? Niet hoe je met boosheid omgaat. Alleen dat je hem moet wegstoppen.

Twee oordelen tegelijk

En daar bleef het niet bij. Ik zei verder: “Er zit daarnaast dus een hele hoop frustratie in vrouwen die ze nooit op een fijne manier hebben kunnen uiten. Want er zit altijd een oordeel op vanuit de maatschappij, en een oordeel vanuit zichzelf op die frustratie. Waardoor het ook vaak heel erg lastig is om het te dragen.”

Twee oordelen tegelijk. Dat is wat het zo zwaar maakt.

Het eerste oordeel komt van buiten. Van de wereld die vindt dat een vrouw, en zeker een moeder, rustig moet blijven. Van de juf die je raar aankijkt als je je stem verheft bij het hek. Van de familie die zegt dat je wel erg fel bent.

Het tweede oordeel zit in jou. En dat is vaak nog harder. Je bent boos, en meteen daarop volgt: ik mag niet zo boos zijn. Wat ben ik voor moeder. Wat ben ik voor vrouw. Dus nu ben je boos én schaam je je voor je boosheid. Twee lasten in plaats van één.

Herken je dat? Dat je na een uitbarsting niet alleen moe bent, maar ook nog een uur in je hoofd zit met hoe erg het was dat je zo deed?

Waar hij dan wel naartoe gaat

Boosheid verdwijnt niet als je hem niet mag uiten. Hij zoekt een andere uitgang. Ik zei het zo tegen Lotte:

“En daardoor krijgt het soms ook een hele lelijke vorm richting de buitenwereld. […] Op een destructieve manier richting jezelf, richting andere mensen, die frustratie uiten. Agressie bij vrouwen is een vorm van frustratie-uiting. Door middel van de manier hoe ze verbaal met dingen omgaan, verbaal mensen aanspreken, klagen. Soms is het een frustratie die ze niet weten te reguleren, omdat het nooit geleerd is. Het meisje heeft het nooit geleerd om het goed te communiceren, het goed aan te geven, te voelen bij zichzelf. Of als het dan wordt geuit, wordt daar wat van gezegd.”

Klagen. Verbaal. De opmerking net te scherp. Misschien herken je het bij jezelf, of bij je moeder, of bij je oma.

Het is half zes. De pan staat op het vuur, de kinderen maken ruzie over een speelgoedauto en je partner is nog niet thuis. En dan snauw je. Niet hard. Maar net te kortaf. Je ziet het gezichtje van je dochter betrekken en je voelt meteen dat het niet over haar ging.

Of je zegt niks. De hele dag niet. En ’s avonds klaag je bij je partner over de vaatwasser. Voor de derde keer deze week. Terwijl het niet over de vaatwasser gaat.

Of hij gaat naar binnen. Dan word je niet boos op een ander, maar op jezelf. Dan heet je boosheid ineens: ik ben niet goed genoeg.

Je boosheid mag er zijn. Echt. Alleen hoort hij niet bij je kinderen terecht te komen. En ook niet bij jezelf.

“Dat is zonde,” zei ik tegen Lotte. “Want er is een hele mooie manier om met je frustratie om te gaan.”

De koektrommel

Later in diezelfde sessie kwam er nog een uitgang voorbij. Een die bijna iedere moeder kent. Lotte zei: “Dat is gewoon wel wat ik ook merk: als ik heel veel stress krijg, of me niet goed voel, dan krijg ik ook meteen allemaal van die suikerbehoeftes.”

Ik maakte haar daar niet klein om. Het is logisch. Ik legde uit:

“Dat is niet alleen je hoofd, maar het is ook gewoon je biologische systeem. Je verbrandt meer als je stress hebt en je zoekt naar een eerste geruststellende factor, een energiegevende factor, want je brandt meer energie op. En ongezonde voeding is op een bepaalde manier snel verzadigend, een snelle energiebron. Dus het is ook een logische manier van je lichaam om dat te willen, omdat het heel functioneel is. Helaas kortstondig.”

“Als je vroeger had geleefd,” zei ik, “dan had je lichaam nog steeds de honing en de zoete aardbei gewild. Alleen moest je daar twintig kilometer voor lopen. Dat is het enige verschil.”

Ik vind dat zo’n mild beeld. Je lijf doet niks raars. Het zoekt troost en energie, net zoals het dat altijd heeft gedaan. Alleen staat de koektrommel tegenwoordig op twee meter in plaats van op twintig kilometer.

Lotte had meteen een oplossing: “Oh, die rommel gewoon niet kopen.” Dat helpt, zei ik, de trigger vermijden werkt voor mij ook. Maar er wonen meer mensen in je huis. Dus ik zei: “Meteen zou ik je gezin meenemen. Het is altijd makkelijker om met een gezin bepaalde keuzes te maken als het gaat om gezondheid en om voeding, dan dat je in je eentje denkt: ja, ik ga het voor mezelf veranderen.”

Ik weet het van thuis. “Als ik samen met mijn vrouw daarmee bezig ben, is het heel makkelijk om vol te houden. […] Je omgeving is zo ontzettend bepalend, ook voor je gewoontes. Soms ben jij sterk genoeg, maar je omgeving niet.”

Lotte herkende het. Ze hadden samen een tijd bewust gezonder gegeten, en ergens rond een vakantie was het weer versloft. “Want toen voelde ik me ook wel een stuk beter.”

“Ja,” zei ik. “En dat is: het patroon wordt doorbroken.”

Ik vertel dit hier omdat het precies hetzelfde mechanisme is. Spanning moet ergens heen. Als jij nooit hebt geleerd waar boosheid en frustratie heen mogen, zoeken ze de snelste uitweg. Een snauw. Een klaagzang. Een hand in de koektrommel. Allemaal functioneel. Allemaal kortstondig.

“Nou maar eens kijken”

Terug naar die boxfitles. Want Lotte had een uitlaatklep gevonden waar haar lijf iets mee kon. En toch hoorde ik meteen de achterdeur. “Ja, we gaan nog kijken of ik dat straks door kan zetten.”

We gaan nog kijken.

Ik zei: “Ja, maar na één les is die brug misschien een te grote gedachte. Dus: nou maar eens kijken of ik dan volgende week er weer ben. En dat zeg je de komende weken. En dan is ‘nou maar eens kijken’ nog niet eens een goede mentale zin om tegen jezelf te zeggen natuurlijk.”

Want wat zeg je daar eigenlijk? Je zegt: misschien. Als het uitkomt. Als er niks tussenkomt. Als niemand anders me nodig heeft. “Nou maar eens kijken” is de zin van een vrouw die zichzelf alvast een uitweg geeft, zodat ze straks niet teleurgesteld hoeft te zijn.

Ik gaf haar een andere zin:

“Als in: waarom gun ik het aan mezelf, en hoe fijn was dit, en oh, het was wel lekker, en hoe hard heb ik dat nodig. Volgende week zou ik dat waarschijnlijk ook nodig hebben. Of: oh, dit is wat het met me deed, ik gun mezelf om dat volgende keer ook te voelen. En dan begin je eerst eens: ik gun mezelf om mezelf weer lekker te voelen. Even eruit, eventjes dit eruit, eventjes voelen. Ik gun mezelf om mijn lijf weer zo te voelen. Ook al voel ik me krakkemikkerig. Ja, maar tegelijkertijd weet ik dat het ook heel lekker is, belonend is. Het voelt lekker.”

Ik gun het mezelf. Dat is een heel andere zin dan “nou maar eens kijken”. De ene laat de deur op een kier staan om weg te glippen. De andere zet hem open om naar binnen te gaan.

En ik zei erbij dat het juist nu belangrijk was. Ze zat midden in een drukke periode, met haar werk, een verhuizing en heel veel regelen. “Juist in deze fase is het misschien wel goed voor je om in je lijf te zakken op een andere manier, door middel van sporten. […] Zorgen voor jou, je mentale gezondheid en je lichamelijke gezondheid, moet daarin in de top drie staan eigenlijk, bij jou. En dat heb je nu gedaan.”

En toen vroeg ik: “Ben je trots op jezelf?”

Het antwoord kwam er niet echt. Dus ik vroeg het nog een keer. “Maar ben je trots op jezelf?”

Die vraag stel ik niet voor niks twee keer. Een vrouw die nooit heeft geleerd waar haar boosheid heen mag, heeft vaak ook nooit geleerd waar haar trots heen mag. Allebei te veel. Allebei niet lief genoeg.

Niet tegen je moeder schreeuwen

Een tijdje later vroeg ik haar: “Hoe gaat het met boxfit? Ben je nog steeds gegaan?”

Ze was een week niet geweest, en ze wilde de les van dinsdag naar zaterdag verplaatsen. Haar moeder zou binnenkort komen logeren, en er was veel spanning rond het huis. Ik zei:

“Goed. Het is juist om dan niet bij je moeder te zijn en de frustratie eruit te halen. Er is niks fijner dan niet tegen je moeder te schreeuwen en je druk te maken, dan een uitlaatklep bij boxfit te gebruiken. […] Voor jou en jouw zenuwstelsel. Plus je voelt je uiteindelijk ook beter. Als je dat doet, met al de stress van het huis, je moeder.”

Daar heb je het, in één zin. Die frustratie gaat ergens heen. Hij gaat naar je moeder, in een felle opmerking waar je later spijt van hebt. Hij gaat naar je kinderen. Hij gaat naar binnen. Of hij gaat in een zak die ertegen kan.

Een bokszak oordeelt niet. Een bokszak raakt niet gekwetst. Een bokszak vertelt het niet door aan de rest van de familie. Daar mag je eindelijk alles kwijt wat nergens anders mocht. Zonder dubbel oordeel. Gewoon slaan, zweten, ademen, en naar huis gaan met een lijf dat even leeg is.

Je hoeft niet te boksen, trouwens. Het gaat niet om de sport. Het gaat erom dat je lijf een plek heeft waar de spanning naartoe mag, voordat hij bij iemand anders terechtkomt.

Excuus of echte behoefte?

Lotte was eerlijk over hoe zwaar het soms was. “Die dinsdagen waren wel best wel heftig. Want dan was ik tot laat aan het werk en dan was het naar huis, eten. Ik heb ook echt wel dat ik dacht op een gegeven moment: ik wil er echt niet heen. Maar als je dan toch gegaan bent, dan kom je altijd wel fijner terug.”

Ik zei: “Ja, maar vooral omdat de gewoonte om ernaartoe te gaan en het sporten er nog niet in zitten. Dus de weerstand en de vermoeidheid, dat is meer de gewoonte. Het is gewoon nog geen gewoonte.”

En toen zei ze weer zo’n zin die ze niet afmaakte: “Ik vind het soms ook wel echt zoeken van: zit ik nou een excuus te zoeken om niet te gaan, of voel ik me…”

Of voel ik me echt moe? Heb ik echt rust nodig? Dat is een eerlijke vraag. Zeker voor een vrouw die heeft geleerd om altijd door te gaan. Want soms is niet gaan juist goed voor je. En soms is het gewoon het oude stemmetje dat zegt dat jij het niet waard bent.

Hoe weet je dat? Ik zei:

“Ja, en dat kan alleen maar door te gaan als je geen zin hebt, om daarachter te komen. Maar wat we vaak doen is dan meer luisteren naar die behoeftes, maar niet het tegenovergestelde doen om te ervaren wat het is. Waardoor je het antwoord eigenlijk ook nooit weet. Want als je tien keer, en dat geef ik vaak ook aan mijn klanten: probeer tien keer wel, probeer tien keer niet. En we stoppen dan na twee keer, dan weten we het antwoord eigenlijk niet.”

Tien keer wel. Tien keer niet.

“En dus door het dan twintig keer te voelen, leer je jezelf beter kennen. En dan denk je: oh, maar wacht, nu is het een excuus. Nu voel ik echt bij mezelf wat ik nodig heb.”

Ik sport zelf al twintig jaar. En nog steeds is het precies dit. “Wat heb ik dan nodig, echt nodig? Is het dan echt de rust, of is het gewoon een excuus omdat ik het lastig vind om dingen te doen waar ik geen zin in heb? En dat mag je voelen. Ik gun je dan zaterdag te voelen weer.”

Twee keer proberen en dan stoppen, dat is geen onderzoek. Dat is het oude patroon dat zijn gelijk haalt.

Wat denk jij te verdienen?

Aan het eind van een sessie legde ik het verband dat onder dit alles ligt. Want of je nou je boosheid een plek geeft, of je lijf beweegt, of de koektrommel laat staan, het komt allemaal uit dezelfde bron.

“Goed voor jezelf zorgen en van jezelf houden maken dat heel veel andere patronen automatisch meegevormd worden. Want als je van jezelf houdt, kun je niet slecht voor je lichaam zorgen door niet te bewegen en niet gezond te eten. Zo zie ik het. Want je gunt je lijf en wat erin komt, en dan gun je jezelf ook meer rust. Dan geef je jezelf ook plezier en tijd voor jezelf en leuke dingen, en dat je fijne gevoelens voelt.”

En toen: “Zo hebben we allemaal een niveau van wat wij vinden wat we verdienen. En dat niveau mag van jou wat hoger, waardoor je omgeving en de keuzes die je maakt daardoor anders gaan worden. Omdat je al sneller doorhebt: oh, maar wacht eens even, ik zit nu in een situatie… oh, dat verdien ik helemaal niet. Ik verdien meer rust. Ik verdien meer dit. Wat dat ook is.”

Ik zei er ook bij dat het niet allemaal tegelijk perfect hoeft. Niet als je midden in een verhuizing zit. “Logisch dat al die gewoontes, het lukt niet allemaal als je een huis verkoopt, dat het allemaal tegelijkertijd perfect gaat. Dus die rust, die komt wel.”

Een vrouw die vindt dat ze weinig verdient, laat haar boosheid ontploffen bij de mensen van wie ze het meest houdt, en schaamt zich daarna kapot. Een vrouw die vindt dat ze meer verdient, geeft haar boosheid een plek. Een les op zaterdag. Een wandeling. Een uur voor zichzelf. Niet omdat het moet. Omdat ze het zichzelf gunt.

Misschien herken je dit

Misschien ben jij ook zo’n meisje geweest. Een lief meisje. Een meisje dat haar boosheid op haar kamer liet en met een glimlach weer naar beneden kwam. En misschien ben je nu een vrouw die de hele dag redelijk is, voor haar klanten, haar kinderen, haar moeder. Tot het om half zes misgaat.

Dan ben je geen slechte moeder. Dan ben je een vrouw die nooit heeft geleerd waar haar boosheid heen mag. Mild over jezelf. Streng over het patroon. Want je kinderen kijken mee. Je dochter leert van jou waar haar boosheid heen mag. Wil je dat ze leert dat hij weggestopt moet worden? Of dat ze leert dat hij er mag zijn, en een goede plek verdient?

Wat je deze week kunt doen

1. Schrijf op waar jouw boosheid nu naartoe gaat. Pak een vel papier en schrijf bovenaan: “Waar laat ik mijn boosheid?” Wees eerlijk. Snauwen tegen de kinderen. Klagen bij je partner. Een scherpe opmerking naar je moeder. De koektrommel. Scrollen. Of naar binnen: boos op jezelf. Geen oordeel. Alleen kijken. Want wat je niet ziet, kun je ook geen andere plek geven.

2. Geef je boosheid een plek in je lijf. Kies iets waarbij je deze week twee keer spanning kwijt mag in je lijf. Boxfit, hardlopen, een stevige wandeling in de wind, iets waarbij je mag zweten en uitademen. Zet het in je agenda alsof het een afspraak met een klant is. En vervang “nou maar eens kijken” door een zin die begint met “ik gun het mezelf, want…”. Schrijf die zin af en hang hem op.

3. Begin aan je tien keer wel, tien keer niet. Twijfel je of je moe bent of een excuus zoekt? Ga dan juist. En schrijf na afloop op hoe je terugkwam. Fijner, moeier, rustiger? Doe dat tien keer voordat je een conclusie trekt. Zet ondertussen de koektrommel uit het zicht en vraag je gezin om mee te doen. Jij mag sterk zijn, maar je omgeving mag je helpen.

Je boosheid is niet je vijand. Hij heeft alleen nooit geleerd waar hij heen mocht. Laat hem deze week een plek vinden die jou en je kinderen niet kost.

Lees ook Wat gaat jouw toekomst bewijzen? Over de oude zin die zichzelf waarmaakt en Je hebt de blauwdruk al: word een people pleaser voor jezelf.

Wil je dit niet alleen doen? Als coach in Lelystad en online help ik je om helder te krijgen wat je wilt, en wat je nog tegenhoudt.

Zet hem op deze week.

Liefs,
Jonathan

Wil je hier zelf mee aan de slag?

Ontdek in een gratis Mini Familieopstelling waar jouw patronen vandaan komen.

Plan je gratis Mini Familieopstelling

Stel je vraag aan Saar