
Het ontbijt staat op tafel. Gewoon, zoals altijd. Er zijn geen plannen voor die dag. En aan de overkant van de tafel zit haar man, die niet weet wat hij moet gaan doen.
Ik noem haar Wendy. Rond de veertig, moeder van een jongetje, en al heel lang samen met de man van wie ze houdt. Ze vertelde me hoe zo’n ochtend dan verloopt:
“Als we bijvoorbeeld ’s morgens, als we geen plannen hebben gemaakt voor een dag. We hebben gewoon ons usual ontbijt op en we hebben geen plannen gemaakt. En ik zeg bijvoorbeeld van ja, ik ga dit of dit doen. Dus ja, of hij volgt of hij zegt van ja, daar heb ik geen zin in. Ja, hoe moet ik nou gaan doen? Moet ik nou met die kleine gaan doen?”
En dan begint zij. Voorstellen doen. Hij wil naar zijn ouders. Zij zegt dat dat niet elke dag hoeft. “Je moet gewoon zelf doen, je eigen dingen doen. Ga naar het strand.” En dat ging hij dan doen. “Nou, ze waren hartstikke blij daar, heel simpel.”
Heel simpel. Probleem opgelost. Dag gered.
Ze vertelde het me alsof het een klein, praktisch verhaaltje was. Maar ik hoorde iets anders. En dus vroeg ik iets wat ik niet vaak vraag.
“Nou,” zei ze.
En toen zei ik het: “De manier hoe je dit net omschreef, klinkt als een moeder die vertelt wat een kindje moet doen. Maar mama, ik verveel me! Nou, wat dacht je dan? Dan kun je dat doen en dat doen en dat doen. Omdat je niet gewend bent om die space op te vullen. […] In de dynamiek is hij op dat moment niet gelijkwaardig.”
Ze sprak het niet tegen. “Nee. Omdat hij zichzelf in de weg zit.” En ze herkende het. Want ze had het zelf al eens gezegd, een jaar eerder, tegen mij en tegen hem:
“Ik heb twee kinderen.”
Lees die zin nog eens. Ik heb twee kinderen.
Ik weet hoeveel vrouwen die zin kennen. Ze zeggen hem lachend op een verjaardag, of verbeten in de auto, of nooit hardop maar wel elke avond in hun hoofd. Ik heb er drie, ik heb er vier, en eentje daarvan is mijn man.
Het is een grapje. Tot het geen grapje meer is. Tot je merkt dat je moe bent op een manier die met slaap niets te maken heeft.
Wat ik Wendy liet zien, is dat dit niet alleen over hem gaat. Ik zei: “En dan pak jij de rol om hem te vertellen wat hij moet doen. Waardoor je uiteindelijk hem niet leert wat hij moet doen. Want dan volgt hij gewoon wat jij doet. Of dan kiest hij de makkelijkste weg.”
Zie je het patroon? Hij weet het niet. Zij weet het wel. Dus zij vult het in. En omdat zij het invult, hoeft hij het nooit te leren. En omdat hij het nooit leert, weet hij het de volgende keer weer niet. Dus vult zij het weer in.
Ik vatte het samen in één zin: “Je bent moe om een moeder te zijn, of je wordt een moeder door middel van een ongelijkwaardigheid.”
En toen kwam het deel dat ik haar echt wilde meegeven: “De gelijkwaardigheid is, jij bent ook onderdeel van de dynamiek, waardoor het niet gelijkwaardig is. En je bent niet zijn moeder, dus: ik heb geen idee, zoek het uit, kies gewoon, je hebt jouw dag, ga het niet voorkauwen.”
Je bent niet zijn moeder.
Toen zei Wendy iets wat het allemaal nog duidelijker maakte: “Hij zegt ook heel vaak van: was je maar een beetje meer zoals mijn moeder.”
Later in de sessie vertelde ze hoe die schoonmoeder het dan doet. Als haar schoonvader iets geks doet of een rare opmerking maakt, “dan kookt ze gewoon niet voor hem. Doet ze gewoon niet. Dan zegt ze: zoek het maar uit.”
Hij wil dus een moeder. Hij zegt het zelfs letterlijk.
“Tuurlijk,” zei ik, “want hij wil het jongetje. […] Het komt weer terug op het vertrouwen in zichzelf niet hebben, en dan willen leunen op een moederachtige figuur, omdat dat makkelijker is. […] En de moeder bemoedert, en de moeder denkt voor je, en ik kan niet voor mezelf denken, en ik vind het eigenlijk ook wel fijn om een jongetje te zijn en niet een man te zijn.”
“Zoals heel veel jongetjes dat fijn vinden,” zei Wendy.
En ik was eerlijk: “Als ik dat ook heel lang fijn heb gevonden, op een andere manier.”
Want laat ik het meteen zeggen: dit is geen verhaal over slechte mannen. Ik draai het om, want het geldt net zo goed voor ons als vrouwen en moeders. Ik zei tegen haar:
“Heel veel vrouwen vinden het ook fijn om een meisje te zijn. Heerlijk. Vrouwen die zijn vijftig, zijn nog steeds een meisje. Het gebeurt heel veel. Heel veel mensen vinden het fijn om emotioneel onvolwassen te zijn. […] Zeg maar eens een keer iets wat ze niet leuk vinden, geef maar een grens aan of wat dan ook en dan zie je het meisje. En het jongetje komt naar voren. […] Geef ze een uitdaging, geef ze een beetje stress en het meisje en het jongetje komt naar voren.”
Waar komt dat vandaan? Uit het systeem waar je uit komt. Hoe je ouders reageerden op jouw emoties. Of je leerde op een rustige manier met spanning om te gaan, of dat er altijd iemand was die het voor je oploste, of juist niemand. Hoe beschermd je werd. Ik zei het zo: “Al die stukken vanuit het systeem, hoe ze het hebben geleerd op zichzelf te bouwen, vertrouwen, zelfbeeld. Hoe ze stevig staan, hoe ze op emoties reageren.”
Iemand die als kind nooit zelf naar de oplossing hoefde te zoeken, zoekt als volwassene iemand die dat voor hem doet. En iemand die als kind al vroeg alles moest regelen, wordt als volwassene maar al te makkelijk de vrouw die alles regelt. Die twee vinden elkaar feilloos.
Er was nog iets wat Wendy dwarszat. Ze woonden net een paar weken in een huis waar ze heel blij mee waren. De eerste weken ging het goed, “want het was nog enthousiasme, het was nog nieuw.” En toen, ineens, begon hij zich zorgen te maken. Over volgend jaar. Over dat ze er dan weer uit moeten.
“Dan denk ik, jeetje, er is niks. We wonen in ons droomhuis nu. Wat ga je nu weer zoeken?”
Ze wilde hem zo graag helpen. “Ik zou hem zo graag willen helpen.” Maar als ze hem vroeg wat hij nodig had, kwam er één antwoord: rust. En als ze vroeg wat rust dan voor hem betekende, wist hij het niet.
Ik legde haar uit waarom dat zo gaat: “Als onrust uit jezelf komt, […] dan ben je hier, dan gaat het in de periode goed, maar als er dan weer rust is, creëer je uit jezelf onrust.”
En ik vertelde haar over mijn eigen vrouw. Want dit is geen mannending en geen Wendy-ding. Dit is een mensending.
Mijn dochter was met mij naar een grote arena geweest, met een koptelefoon op. Mijn vrouw was er niet bij. En ’s avonds, als ze moe is, komen de gedachten. Ik zei het zo in de sessie: “Elke avond, hoe moeër ze is, hoe meer ze gedachten heeft: is mijn kind niet gevallen?” Is het op de opvang wel goed gegaan, is het bij papa wel goed gegaan. En die avond was het de koptelefoon. Zat die wel goed? Ze kwam ermee naar mij toe. En ze kon het niet loslaten.
Ik zei tegen Wendy: “Want die interne onrust, juist als ze moeder is, heeft ze geen verdedigingsmechanisme meer. Dus die onrust, want er moet iets mis zijn met mijn kind, mijn zenuwstelsel moet zich ergens druk om maken, die komt constant weer opnieuw. […] Aan de andere kant moet ik erom lachen, weet je wel, omdat het blijft komen, en soms juist vanuit de rust.”
Misschien herken je dat van jezelf. Dat het eindelijk stil is in huis, de kinderen liggen erin, en dan begint het in je hoofd.
“De meeste mensen hoeven alleen maar een tv uit te zetten, social media los te laten en gewoon te gaan zitten. De meeste mensen kunnen niet rustig zitten voor een uurtje. Waarom? Alle chaos komt naar boven.”
En toen kwam de zin die voor Wendy het zwaarst was: “Ik ken jou dan ook een beetje, hoe goed de intentie ook is. Als dit een stuk is wat dieper zit, moet je hem de ruimte geven om dat te leren. […] En dat is voor jou lastiger dan voor hem in de eerste fase. Want jij ziet het, hij niet. Dus de frustratie is: op je handen zitten om je partner de fouten te laten maken die hij moet maken.”
Op je handen zitten. Je ziet het allemaal. Je weet het antwoord al. En je zegt het niet.
Wat ik zo mooi vond: Wendy was al begonnen. Ze had besloten dat ze gewoon haar eigen dingen ging doen. Ze vertelde: “Ik heb gezegd van: zaterdag, zondag, dan ga jij met de kleine naar bed en jij doet hem ’s middags een dutje. […] En ik zeg: op dinsdag is mijn werkdag, tussen haakjes, gewoon mijn laptopdag bij wijze van, en dan nog een ochtend en nog een ochtend, en dan ga ik gewoon mijn dingen doen, die voor mij goed zijn.”
“Mooi,” zei ik. “Knap, zeker van waar je vandaan komt, knap dat je die ruimte durft te pakken.”
Want dat is de eerste stap uit de moederrol. Niet een groot gesprek. Niet een ultimatum. Gewoon: dit is mijn dag. Ik ben aan het werk. Jij hebt de kleine.
En ik zei erbij waarom dat zo belangrijk is: “De gelijkwaardige fundering thuis maakt dat dat wel of niet een succes wordt.” Je bedrijf, je dromen, alles wat je wilt opbouwen als ondernemende moeder, het staat of valt met wat er thuis gebeurt. Als jij thuis de moeder van iedereen bent, heb je geen ruimte meer om de ondernemer te zijn.
En toen moest ik haar iets vertellen wat ik liever niet vertel. Maar het is eerlijk.
“Je gaat het nog zwaarder krijgen, zou ik je nog even vertellen. Want jij bent de boeman dat je niet meegeeft. Jij bent de boeman dat je hem geen ideetje geeft. Jij bent de boeman dat je hem niet behandelt als een klein jongetje. Want mijn mama deed dit altijd bij mij en ik wil dat je mijn mammetje bent op dit moment. En ik wil niet de volwassen gelijkwaardige partner zijn. Dus in plaats van te reflecteren op mezelf als een volwassene ga ik aanvallen.”
Want zo werkt het, zei ik er al eerder bij: “Als mensen niet kunnen reflecteren, gaan ze iets aanvallen.”
“Ik ken mensen, ik weet hoe dit werkt. Ik heb dit werk vaker gedaan. Ik help meer koppels.” Op het moment dat jij stopt met invullen, wordt het eerst onrustiger, niet rustiger. Wendy herkende dat al: “Ik probeer dan dingen te bespreken over onze relatie. Maar dan is het meteen: ja, jij wil dingen veranderen. Jij bent niet blij. Dan denk ik, ja, gaan we weer.”
“Het jongetje wil niet meer verantwoordelijkheid,” zei ik. “Jongetjes willen nooit meer verantwoordelijkheid.”
Maar ik zei er meteen achteraan waarom het het toch waard is:
“Ik weet dat het erger wordt. Maar dat is minder erg dan dit te blijven behouden. Het is minder erg dan een niet gelijkwaardige partner te hebben. Het is minder erg om hier over vijf jaar nog op hetzelfde punt te staan. Tijdelijk is het zwaarder. Langdurig gezien gaat het je opleveren.”
Tijdelijk zwaarder. Langdurig lichter. Dat is de ruil. En de meeste vrouwen kiezen er elke dag weer voor om het nu licht te houden en het later zwaar te maken. Niet omdat ze dom zijn. Omdat het nu zo moe is, en de moederrol zo vertrouwd voelt.
Hoe stap je er dan uit, zonder dat het een oorlog wordt? Ik gaf Wendy een paar zinnen. Rauw, maar eerlijk.
“Stap zelf uit de dynamiek. Zeg: plan die motherfucking date voor mij. Ik wil ook even dat je laat zien dat je aan een relatie werkt. En dude, je bent een vader. Dude, je bent een man. En wat je kan doen is: spreek de man in hem aan.”
Je hoeft het niet zo hard te zeggen. Ik zei er ook bij dat het zacht kan: “Je weet dat je als vader de juiste keuze gaat maken. Spreek wel die kracht aan. En ik weet zeker dat jij de juiste keuze gaat maken, want je bent een goede vader. Je bent een man.”
Het verschil zit hem niet in de toon. Het verschil zit in tegen wie je praat. Praat je tegen het jongetje, of tegen de man? Spreek je zijn onmacht aan, of zijn kracht?
En als hij weer zegt dat hij wil dat je wat meer zoals zijn moeder bent? Ik gaf haar een zin die ze niet meer zal vergeten: “Ik ben je moeder niet. Je gaat lekker bij haar wonen. […] Met je moeder heb je toch ook geen seks?”
Wendy lachte hardop. “Met je moeder heb je geen seks, dus ik denk toch dat we het even anders moeten doen. Haha. Maar dat juist, ik gebruik dan humor, dat is mijn manier.”
Precies. Humor mag. Als spiegel. “Het is toch raar dat je dezelfde type liefde wilt. Het is niet hetzelfde. Want hij wil jou in die dynamiek gooien. En omdat hij dus niet wil veranderen, is het ook zo makkelijk om wel in die dynamiek te stappen, want dat lost makkelijker op. Maar dat lost zijn problemen op, niet de jouwe. En dan ben je dus opnieuw de kar aan het trekken van zijn persoonlijke ontwikkeling.”
Wendy zag haar man op dat moment in een soort overlevingsmodus. Alles was te veel. Zelfs iets wat pas over een jaar speelde. Ik zei: “Want het jongetje moet overleven. Hij wordt constant door alles overweldigd. Inclusief dat hij over een jaar al iets moet fixen, dan kan ik het niet aan. Hij zegt eigenlijk: ik kan het niet aan, ik ben niet sterk genoeg.”
En toen, twee keer achter elkaar, omdat het zo belangrijk was:
“Hou hem dan ook niet zwak. Hou hem dan ook niet zwak. Neem hem dan niet over.”
Ik gebruikte het beeld van een boei. Als je aan het verzuipen bent, zwem je naar een boei. Maar die boei moet je zelf zien en zelf pakken. “Die veerkracht leer je niet door te gaan verzuipen, die veerkracht leer je door een boei te zien en moeite te doen en naar die boei te zwemmen.” Als jij hem steeds de boei aanreikt, leert hij nooit zwemmen. En dan sta jij over tien jaar nog op de kant met je arm uitgestrekt.
Dat voelt hard. Het voelt als liefdeloos. Maar ik zei het zo tegen Wendy:
“Het enige wat jij dan kan doen, is kiezen voor jezelf. En in dit geval is dat niet egoïstisch. […] Want je stapt uit de dynamiek om ervoor te zorgen dat hij beter voor zichzelf kiest, want dat kan hij niet.”
Kiezen voor jezelf is hier geen egoïsme. Het is de enige manier waarop hij ooit voor zichzelf leert kiezen.
Wendy zei het zelf ook: “Dat is niet alleen het proces van mij, maar gewoon naar hem toe in het gezin.” De dynamiek verandert. “Heel goed,” zei ik. “Dat is precies nodig.”
Dan de praktische vraag. Wat doe je als hij weer zit te stressen over volgend jaar? Over het huis, over geld, over alles wat nog moet komen?
De valkuil is dat je erin meegaat. Dat je gaat uitleggen dat het allemaal wel meevalt, dat je samen gaat rekenen, dat je oplossingen gaat aandragen. Wendy zei het al: “En dan ga je er allemaal over al die dingen waar hij zich druk om maakt, ga je het dan over hebben.”
“Nee,” zei ik. “Het patroon is niet die dingen waar hij zich druk om maakt. […] Heb je door dat je je druk maakt? Je was lekker chill. Nu maak je je druk. Valt me wel op hoor.”
Dat is het verschil tussen ingaan op de inhoud en ingaan op het patroon. Ik legde het uit: “Wat je niet moet doen is reageren op zijn stress. Je moet reflecteren dat hij stress creëert. […] Want anders ga je verzanden in al die stukken van wat moet ik nou doen of wat dan ook.”
En waarom het niets uitmaakt hoe mooi dat huis is: “Als jij zelf niet goed genoeg bent, dan maakt het niet uit, dat neem je overal mee naartoe. […] Je buitenwereld wordt een reflectie van je binnenwereld. Dus als je binnenwereld voelt als niet genoeg, maakt het niet uit in welk paleis je zit.”
“Mensen die super gelukkig zijn, halen andere mensen niet naar beneden. Mensen die dankbaar zijn, zijn dankbaar voor waar ze zijn. Al is het een doos waar ze in slapen.”
Ik vroeg Wendy hoe het was om dit allemaal te horen. Ze was eerlijk. Ze nam de ruimte voor zichzelf, ze ging aan de slag met haar eigen dingen. Maar: “Ik heb zoiets van, ja, ik ben eigenlijk ook best wel heel erg moe van deze relatie.”
“En je mag moe zijn,” zei ik.
“Ja, is een dingetje. Ja, ik mag moe zijn. Ik ben het al mijn hele leven. Ik wil niet meer moe zijn.”
Daar gaf ik haar ruimte voor, want dat is het eerste wat nodig is. “Je mag ook die frustratie hebben, je mag die vermoeidheid hebben. Want als het er is, kun je wel zeggen dat je het je hele leven al hebt. En dat je het niet meer wilt zijn, maar als het er is, dan kun je vechten met de realiteit, dan ga je altijd verliezen.”
Het mag er zijn. Die moeheid. Die frustratie. Je hoeft niet te doen alsof je het allemaal liefdevol en geduldig draagt.
En daarna kwam het stuk waar ik streng werd. Niet op Wendy. Op het patroon dat ik overal zie.
“Ik heb alleen maar Instagram te openen en al die berichten van de mannelijke, niet gelijkwaardige partners te zien, over al die vrouwen die dan zeggen: ja, mijn man ook, en dit dan ook. Ik heb het allemaal gezien, ik heb een vrouwenalgoritme helemaal, doordat ik alleen maar vrouwen coach. Maar geen één vrouw neemt daarin de verantwoordelijkheid dat ze onderdeel zijn van de dynamiek.”
Twee mensen. Daar bestaat een relatie uit. Hoe groot de trigger ook is, er is altijd een reactie die het in stand houdt.
“Je kunt heel veel brandstof hebben, maar als jij het vlammetje aanzet… ja, moet je je niet verbazen dat er dan vuur is. Haal die vlam weg. Geef zijn patroon niet het vuur. Geef zijn patroon niet nog meer warmte.”
“Dat is lastig,” zei Wendy. “Met de persoonlijkheid die je bent.”
“Ja, dat is het stuk.”
En dan de mindfuck, zoals ik het noemde: dat de oplossing voor jouw frustratie over hem, is dat jij aan jezelf gaat werken. “Gebruik de frustratie als brandstof. Omdat het enige waar je uiteindelijk echt invloed op hebt, is jouw patroon en jouw dynamiek. Ik ben zo moe dat de relatie zo is, in plaats van te focussen op hoe irritant hij is, focus op je eigen dynamiek om eruit te stappen.”
Wendy maakte het zelf concreet: “Dat ik echt moet leren om hem niet als kind te behandelen. […] Maar de manier hoe ik communiceer met hem. Hij maakt het niet zo makkelijk.”
“En dat is het ook,” zei ik. “Het is een dynamiek waarbij je getriggerd wordt, voordat je hem ook makkelijk als je kind gaat behandelen. Want uiteindelijk is dat ook het makkelijkste. Je valt in die valkuil waar iedereen in valt.”
Ik hou van deze man. Ik wil bij hem blijven. Ik wil mijn kind een sterke relatie laten zien. Dan heb ik invloed op één ding: mezelf. “Dus, wat je kan doen, is: ik houd het vlammetje weg en ik verander uit de dynamiek en ik zie daarna vervolgens weer wat er gaat gebeuren.”
In een latere sessie kwamen we er weer op terug. En toen zag ik iets wat het hele verhaal nog scherper maakte. Ik zei tegen Wendy: “Je bent de perfecte partner, omdat je op hem lijkt, maar een fase verder bent. En dat maakt het meteen ingewikkeld, want daardoor word je soms te veel een coach en niet een partner en die scheidslijn is dan ook weer lastig.”
“Ja, dat is een stukje wat ik heel lastig vind, inderdaad.”
Ze zag ook hoeveel hij al veranderd was. Hij regelt heel veel, vertelde ze. Hij rijdt, hij vervoert hen, hij haalt of bestelt eten, hij sluit ’s avonds af. Hij gaat ook weleens alleen met de kleine weg. “Oh, fijn. Heb gewoon een dag voor me. Dat is heerlijk.” Maar er bleef iets: “Nu moet ik niks zeggen, nu moet ik inderdaad wel een spiegel geven. […] Maar ja, dat is soms wel vermoeiend, ja.”
En toen vertelde ze wat ze van plan was. Over tweeënhalve week was ze jarig. “Meestal geef ik altijd een idee of wat dan ook. En ik ga zeggen dat ik het helemaal aan hem overlaat dit jaar.”
“Mooi,” zei ik. “En dat dan ook doen?”
“Ja, dan ben ik heel benieuwd.”
Zie je hoe klein dat lijkt, en hoe groot het is? Geen hint. Geen lijstje. Geen “ik zag laatst toevallig zo’n leuk restaurant”. Gewoon: jij regelt het. Net als met Moederdag, toen ze ook al had gezegd: “Regel maar iets.”
Ik zei: “Het is de verantwoordelijkheid in hem aanspreken die hij kan, zonder bemoederend te klinken.”
En toen legde ik de hele loop uit waarin ze allebei vastzaten:
“Hoe meer jij de moeder gaat zijn, hoe meer hij een bang jongetje gaat zijn, hoe meer jij weer de moeder moet gaan zijn, hoe meer hij… En dan zie je dus, dit zie je constant terug, en dan kun je het constant hebben over: ja maar hij blijft een jongetje. Of je kunt gewoon helemaal uit de moederrol stappen en die hele dynamiek zelf gewoon opblazen en zeggen: met z’n tweeën maak je de relatie, ik stap er helemaal uit.”
“Ik ben jarig. En ik wil een gelijkwaardig partner.” Meer hoeft het niet te zijn. “Het is heel ingewikkeld om hem niet al die stukken aan te reiken. Want dat is mijn patroon. En wat ik hoef te doen, is niet in dat patroon te stappen en kijken wat er gebeurt.”
En misschien wordt het niet wat jij in je hoofd had. Dat zei ik er eerlijk bij: “Dan zul je zien dat het misschien niet hetzelfde is wat je in je hoofd had. Maar dat is perfect. Want dat is dus een relatie. Je hoeft niet alles voor negentig procent zelf te creëren wat jij in je hoofd hebt. Nee, dat is een co-creatie.”
Een relatie is een co-creatie. Geen project dat jij leidt en waar hij af en toe een taakje in krijgt.
“Dan kan hij eindelijk de man zijn die jij verdient,” zei ik, “en die hij ook graag wil zijn. […] En precies op dezelfde manier geeft dat je weer vertrouwen dat hij het wel kan. Dus hou dat vertrouwen gewoon vol. En blijf die spiegels vooral geven, blijf uit de dynamiek stappen.”
Misschien zit jij ook aan zo’n ontbijttafel. Op een zaterdag zonder plan. En je voelt het al aankomen: de vraag wat we vandaag gaan doen, die eigenlijk betekent dat jij het mag bedenken.
Misschien ben jij degene die weet wanneer de verjaardag van zijn moeder is, wie het cadeau koopt, wanneer de oppas komt en of er nog luiers zijn. Misschien vraag je hem iets te doen en leg je er meteen bij uit hoe. Misschien zeg je op een feestje lachend dat je drie kinderen hebt, en lacht iedereen mee, en voel je het ’s avonds in je schouders.
En misschien denk je: als ik het niet doe, gebeurt het niet.
Dat klopt. In het begin gebeurt het niet. Of het gebeurt anders. Of later. Of half. Dat is het moment waarop je de boeman wordt. En dat is precies het moment waarop het begint te veranderen.
Ik ben mild over jou. Je hebt die rol ooit geleerd, misschien al als meisje, toen jij degene was die het overzicht hield. Je bent er goed in geworden. Maar ik ben streng over het patroon. Want het kost je je relatie, je energie en je bedrijf. En je kind kijkt mee. Je zoon ziet hoe een man zich laat bemoederen. Je dochter ziet hoe een vrouw alles draagt.
Je bent zijn moeder niet. Je bent zijn vrouw. Gun jij het jezelf om dat weer te zijn?
1. Vang jezelf op het voorkauwen. Let deze week op elk moment waarop je je partner vertelt wat hij moet doen, hoe hij iets moet doen, of je een idee aanreikt waar hij niet om vroeg. Schrijf elk moment ’s avonds op. Geen oordeel, alleen turven. Aan het eind van de week weet je hoe groot je moederrol eigenlijk is.
2. Kies één ding dat je volledig loslaat. Net zoals Wendy met haar verjaardag. Een date, een weekenddag, een verjaardagscadeau voor zijn familie, de planning van een zaterdag. Zeg één keer: “Dit laat ik helemaal aan jou.” En dan zit je op je handen. Geen hint, geen lijstje, geen correctie achteraf. Het wordt misschien anders dan jij het in je hoofd had. Dat is co-creatie.
3. Reageer één keer op het patroon in plaats van op de inhoud. De volgende keer dat hij zich ergens druk over maakt, ga je niet meedenken over de oplossing. Je zegt rustig wat je ziet: “Heb je door dat je je druk maakt? Je was net nog lekker chill.” En dan laat je het bij hem.
4. Pak je eigen dinsdag. Blok in je agenda één vast dagdeel dat van jou is. Voor je werk, voor je bedrijf, voor jezelf. Zeg het hardop tegen je partner: “Dit is mijn tijd. Jij hebt de kinderen.” Niet als vraag. Als feit.
Tijdelijk is het zwaarder. Langdurig gaat het je opleveren.
Lees ook Schuldgevoel is geen fout, het is een kompas en Systemisch werk: waarom je meer draagt dan alleen je eigen verhaal.
Wil je weten hoe ik naar jouw familie kijk? Als systemisch coach in Lelystad en online help ik je zien wat je meedraagt.
Zet hem op deze week.
Liefs,
Jonathan
Ontdek in een gratis Mini Familieopstelling waar jouw patronen vandaan komen.