
We zaten aan het eind van een lange sessie. Ruim een uur hadden we gepraat. Over haar werk dat niet meer bij haar paste. Over het kleine meisje dat elke dag naast haar zit. Over een stem in haar die steeds harder roept. Over kleine stappen. Het was veel. Mooi, maar veel.
Ik zag het aan haar. Dus ik vroeg: “Zit jij vol?”
Ik noem haar hier Petra. Ze antwoordde: “Nou, bijna wel, denk ik. Maar ik vind het wel echt heel leuk, maar ik wil niet over te veel, maar het lukt nog.”
Hoor je wat er in die zin gebeurt? Bijna vol. Maar leuk. Maar niet te veel. Maar het lukt nog. Drie keer maar, in één zin. Een vrouw die voelt dat haar grens bereikt is, en die tegelijk alles doet om die grens weer weg te praten.
Ik zei: “Maak die zin af.”
Ik hielp haar een beetje op weg, en toen kwam het eruit:
“Ik wil inderdaad niet een teleurstelling zijn. Dat het voor mij te veel wordt, laat ik maar zeggen. Ik wil alle informatie al tot me nemen, maar inderdaad is het soms een grens.”
Ik wil niet een teleurstelling zijn.
Ze zei het zacht. Bijna terloops. Maar het was misschien wel de belangrijkste zin van de hele avond.
Ik zei: “En weet je wat de grap is? De teleurstelling is het waardeoordeel dat je dus aan jezelf nu geeft.”
“Ja.”
“Want de teleurstelling is: jij die zegt, Jonathan is teleurgesteld in mij als ik niet meer aankan.”
Ze dacht even na. “Nou, dan ben ik teleurgesteld in mezelf.”
“Want wie zegt dat ik teleurgesteld ben als jij dat aangeeft? Dus hoe durf je voor…”
“Ja sorry, dat is niet de bedoeling,” zei ze snel.
En daar was het patroon weer. In één seconde. Ze voelt dat ze iets verkeerd doet, en ze zegt sorry. Nog voordat iemand iets van haar vindt.
Ik zei:
“Je hoeft niet sorry te zeggen. Ik vind hem leuk, daarom spiegel ik hem. Dat is mijn manier van coachen: hoe durf je voor mij te denken? Ik zeg het met een glimlach, ik hoop dat je dat kan zien, niet met een veroordeling.”
“Nee, ik snap het.”
Hoe durf je voor mij te denken.
Ik weet dat dat streng klinkt. Ik zei het ook met een grote glimlach. Maar ik meen het. Want wat Petra deed, doen zoveel vrouwen de hele dag door. Ze bedenken wat een ander van hen vindt. En dan gaan ze zich gedragen naar dat oordeel, terwijl die ander dat oordeel helemaal niet heeft.
Ik legde het haar uit:
“Ik spiegel het patroon terug, waarbij je dus zegt: ik wil niet een teleurstelling zijn. Het is het label dat jij denkt dat ik aan jou geef, maar dat je dus helemaal in je eigen wereldje daar aan het maken bent, zonder af te stemmen met mij, en dus eigenlijk al een waardeoordeel over jezelf aan het vellen bent.”
Je eigen wereldje. Zonder af te stemmen. Een oordeel over jezelf dat je in de mond van een ander legt.
En toen gebeurde het. Ze zei:
“Dan ga ik voor mezelf opkomen nou, en dan zeg ik van: eigenlijk is het zo wel genoeg.”
“Yes!”
Ik was oprecht blij. Ik liet haar het nog een keer hardop zeggen. En ze zei erbij: “Want dat is de waarheid.”
Ik zei: “Dat gevoel heeft waarde, omdat je er zelf waarde aan geeft. Want uiteindelijk maakt het dus nu niet eens meer uit wat ik daarvan zeg. Wat zegt je interne kompas?”
“Dat ik echt een hele mooie avond gehad heb, veel inzicht heb gehad en dat het goed is zo.”
“En is dat gelogen?”
“Nee.”
“Dus maakt het dan überhaupt uit wat ik vind, met betrekking tot deze opmerking?”
“Nee, eigenlijk niet.”
En toen stelde ik de vraag waar deze hele blog om draait:
“Dus aan wie geef je jou de bevestiging?”
“Aan jezelf? Aan mezelf. Ja, dat het goed is zo. Ja.”
“En wat is dus belangrijker?”
“Wat ik…”
“Wat ik vind!”
Ik was er echt enthousiast over, en ik zei het haar ook. Want wat daar gebeurde, was niet zomaar een einde van een sessie. Het was de hele sessie, samengebald in een paar seconden.
De hele avond waren we steeds bij hetzelfde patroon uitgekomen. Petra die een idee heeft, het deelt, en het weer laat zakken zodra iemand er kritische vragen over stelt. Petra die wacht tot iemand naast haar staat die zegt dat het mag. Petra die naar de mening van anderen luistert in plaats van naar haar eigen gevoel.
Eerder die avond had ik haar al een voorbeeld gegeven van hoe het anders kan. Ik zei toen: “Als ik een creatief idee heb, of als ik een gevoel heb, wacht ik niet tot ik van anderen hoor wat ze ervan vinden. Dan bevestig ik dat dat juist voelt.” En ik somde het voor haar op:
“Het is een juiste gedachte, want het voelt goed. Het is een juiste gedachte, want ik word er enthousiast van. Het is een juiste gedachte, want ik krijg er positieve energie van. Het is een juiste gedachte, want ik krijg er vlinders van in mijn buik. Het is een juiste gedachte, want het idee geeft me alleen al rust. Het is een juiste gedachte, want ik voel dat ik in beweging zit. En zo kan ik nog wel even doorgaan.”
Ze had toen gezegd: “Ja, en zo kom je in beweging dan, dat voel ik.”
En nu, aan het eind van de avond, deed ze het. Niet met een groot idee over haar werk. Met iets heel kleins. Ze voelde dat ze vol zat. En in plaats van te wachten tot ik zei dat het goed was, of door te gaan omdat ze dacht dat ik dat wilde, zei ze het zelf. Eigenlijk is het zo wel genoeg. Want dat is de waarheid.
Ik zei:
“We hebben de hele sessie in een klein momentje terug kunnen brengen. Mijn behoefte doet ertoe, mijn stem doet ertoe. De mening van anderen gebruik ik, maar dat is een oud patroon. Maar ik kan ook luisteren naar mijn eigen interne stem. En om een patroon waar te maken, ik bevestig hem meteen. Weet je wat een overwinning dit is? Dit is letterlijk een patroon in actie.”
“Ja.”
“Dit is wat we tijdens de sessie hebben besproken, wat letterlijk nu voor ogen is gekomen.”
En ik zei het nog wat korter, en wat grover, omdat ik het zo voelde: “Dus mijn gevoel doet ertoe. En voor de rest maakt het geen reet uit.”
Niet wat anderen vinden van haar plannen. Niet wat ze denkt dat ik ervan vind. Haar gevoel doet ertoe. Het gevoel deed er al die tijd toe. Daardoor durfde ze het ook te zeggen.
Toen zei Petra iets wat ik niet snel vergeet.
“Ja. Ik ben trots op mezelf, stom.”
Ze was trots. Echt trots. En in dezelfde adem haalde ze het onderuit. Stom.
Ik zei:
“Nee. Alles is een wonder, dus in plaats van stom is het: ik ben trots op mezelf, zonder waardeoordeel. Wat heerlijk om een keer trots op mezelf te zijn. Want of niets is een wonder, of alles is een wonder.”
Ik herken dat woordje zo goed. Stom. Of: gek hè. Of: ach, het stelt niks voor. Of dat lachje dat je erachteraan doet. Het zijn allemaal manieren om je trots heel snel weer klein te maken. Voordat iemand anders het doet. Voordat iemand kan zeggen dat je het niet verdient.
Want ergens heb je ooit geleerd dat trots zijn op jezelf niet hoort. Dat het verwaand is. Dat je dan te veel ruimte inneemt. En dus mag je het een seconde voelen, en dan moet het weer weg.
Ik zei het tegen Petra heel duidelijk: “Het is niet stom om trots te zijn op jezelf.”
En toen vertelde ik haar over mijn dochter. Die was toen twee.
“Ik ben mijn dochter van twee ook aan het leren. Ik praat al Engels tegen haar en voed haar tweetalig op. En: I’m proud of myself. En dat ze dan het schouderklopje naar zichzelf geeft. I’m proud of myself. […] Ben je trots op jezelf, wat je vandaag gedaan hebt, vraag ik dan in het Engels. En dan zeg ik: nou, ik ben ook trots op jou, en ben jij ook trots op jezelf? En wat zeggen we dan? I’m proud of myself. Dan zeg ik: wat doe je dan met je hand? Ik zal mezelf een schouderklopje geven, weet je wel. En die interne stem groter maken.”
Ze vond dat schouderklopje nog best ingewikkeld, vertelde ik erbij. Een kind van twee dat met haar eigen hand op haar eigen schouder moet kloppen. Dat is nog een hele toer. Maar ze doet het.
En zie je wat er in dat kleine ritueel zit? Ik zeg niet alleen dat ik trots op haar ben. Dat doe ik ook. Maar ik vraag haar daarna of zij trots is op zichzelf. Zo maak je die interne stem groter. Niet alleen mijn trots op haar, maar haar eigen trots. De bevestiging die ze zichzelf geeft.
Dat is precies wat Petra die avond voor het eerst deed. En wat ze nooit had geleerd.
En als je het als kind niet hebt geleerd, kun je het nu alsnog leren. Met je hand op je eigen schouder. Ook als volwassen vrouw. Ook als het in het begin net zo onhandig voelt als bij een kind van twee.
We hadden nog een paar minuten. Ik wilde haar nog iets meegeven over al die twijfel rond haar werk. Over al die vragen waar ze geen antwoord op had.
Ik zei: “You deserve to have it all.” En dat ze nu, met zelfliefde in actie, mocht gaan luisteren, en sneller dan later tegen zichzelf mocht zeggen: ik heb nu energie en ruimte, en nu ga ik solliciteren. Gewoon doen. Gewoon proberen. Een dagje meelopen, want dat kost niks.
“Nee,” zei ze.
“Behalve: ik zit op het pad van groei, waardoor ik mijn natuur weer volg.”
“Wat beter is dan niet groeien,” zei ze.
En toen sprak ik de stem in haar nog één keer toe. De stem die al zo lang riep dat het anders moest:
“Kijk, schreeuwende stem, zie, ik ben aan het solliciteren. Kijk, schreeuwende stem, zie, ik ben aan het meelopen. Schreeuwende stem, het is niet wat ik dacht dat het was. Maar we zijn weer een stap verder. We hebben een antwoord. Soms is niet weten precies het antwoord dat je nodig hebt om het wel te weten.”
“Ja.”
“Maar dat kun je pas vinden door het pad te bewandelen. Je kunt in je hoofd zitten en denken: ik weet niet of dat voor mij is. Dan moet je daar staan, dan moet je een dagje meelopen, dan moet je kijken, dan moet je horen, dan moet je solliciteren, en dan weet je weer meer. Want het antwoord kun je niet hebben door in je hoofd te zitten.”
Het antwoord kun je niet hebben door in je hoofd te zitten.
Dat is ook waarom Petra steeds vastliep als anderen haar vroegen hoe ze het ging aanpakken. Ze dacht dat ze het antwoord al moest hebben voordat ze mocht beginnen. Maar het antwoord komt pas als je loopt. Soms ontdek je dat iets niet bij je past. Ook dat is een antwoord. Ook dat is een stap verder.
Petra zei: “Ik word er helemaal blij van, ja. Dus bewandel het pad, want daarmee ga je de volgende antwoorden vinden.”
Ze vatte het zelf samen. Ze had mij niet meer nodig om het te zeggen.
Bij het afscheid zei Petra iets wat me ontroerde.
“Ik ben ook trots op jou, dankjewel.”
Ik vroeg: “Wat lief, waarom ben je trots op mij?”
“Omdat het werk dat je doet zo verhelderend voor een ander kan zijn, in ieder geval voor mij. Waardoor ik helemaal blij ben en helemaal in actie kom.”
Zie je wat daar gebeurde? Een vrouw die een uur eerder zei dat ze geen teleurstelling wilde zijn. Die sorry zei toen ze haar grens aangaf. En die nu, aan het eind, zelf trots durfde te zijn. Op zichzelf. En op een ander. Ze gaf, vanuit een volle plek.
En ik? Ik was eerlijk. Ik vertelde haar dat ik mijn dochter miste. Ze was met mijn vrouw weg, en ik moest haar acht dagen missen. Ik vond het vreselijk. “Dus ik zeg even hiep hiep hoera voor mijn papa-hart en voor jou.”
Want ook dat hoort erbij. Trots en gemis. Allebei tegelijk.
Misschien zeg jij het niet hardop. Maar misschien denk je het wel, de hele dag door. Ik wil niet tegenvallen. Wat zal ze ervan vinden. Straks denkt hij dat ik het niet kan.
Je zit in een overleg en voelt dat je moe bent, maar je gaat door, want wat zullen de anderen denken. Je hebt een idee voor je bedrijf en je durft het pas te geloven als drie vriendinnen enthousiast hebben gereageerd. Je zegt ja tegen nog een klant, nog een verjaardag, nog een taak op school, omdat nee zeggen voelt alsof je iemand teleurstelt.
En misschien zeg je, op de zeldzame momenten dat je trots bent: stom eigenlijk. Of: ach, stelt niks voor.
Ik ben mild over de vrouw die dat doet. Ze heeft ooit geleerd dat haar waarde afhangt van wat anderen van haar vinden. Daar heeft ze zich aan aangepast. Slim. Nodig, toen.
Maar ik ben streng over het patroon. Want het betekent dat jij je hele leven aan een ander vraagt wat jij waard bent. En dat antwoord komt nooit helemaal. Of het komt, en dan geloof je het niet.
De vraag is niet of ik trots op je ben. De vraag is niet of je partner, je moeder of je klant tevreden is. De vraag is: aan wie geef jij de bevestiging?
Gun jij het jezelf?
1. Vang de teleurstellingszin. Let deze week op elke keer dat je denkt of zegt: “Ik wil niet tegenvallen”, “Ik wil niet lastig zijn”, “Wat zal hij ervan vinden”. Stel jezelf dan de vraag die ik Petra stelde: “Wie zegt dat de ander teleurgesteld is?” En daarna: “Aan wie geef ik nu de bevestiging?” Schrijf het moment op, en wat je daarna koos.
2. Bevestig je eigen gevoel, in je lijf. Kies één idee of één gevoel waar je mee rondloopt en waar je nog niemand over hebt verteld. Ga ermee zitten, hand op je buik. Schrijf dan minstens vijf keer de zin “Het is een juiste gedachte, want …” en maak hem elke keer af met iets wat je in je lijf voelt. Vlinders. Rust. Energie. Beweging. Enthousiasme. Lees de lijst hardop voor. Pas als je hem helemaal hebt voorgelezen, mag je bedenken of je het nog met iemand wilt delen.
3. Geef je grens zonder sorry. Zoek deze week één moment waarop je voelt dat het genoeg is. Een gesprek, een afspraak, een avond. Zeg het dan, zonder sorry ervoor of erachter: “Eigenlijk is het zo wel genoeg.” En als je wilt, net als Petra: “Want dat is de waarheid.”
4. Het schouderklopje van mijn dochter. Sta elke avond voor het slapen even stil. Vraag jezelf: “Waar ben ik vandaag trots op?” Zeg het hardop, zonder “stom”, zonder “maar”, zonder lachje erachteraan. “Ik ben trots op mezelf, want …” Leg dan je hand op je eigen schouder en geef jezelf een klopje. Het voelt misschien onhandig. Dat mag. Mijn dochter van twee vond het ook ingewikkeld. Ze deed het toch.
Je gevoel doet ertoe. Het deed er altijd al toe.
Lees ook Ik heb vandaag niks bereikt: als presteren je manier is om liefde te verdienen en “Je bent veilig, lieverd.” De nacht dat mijn innerlijk kind begon te huilen.
Wil je weten hoe ik werk met het meisje dat jij ooit was? Lees meer over innerlijk kindwerk.
Zet hem op deze week.
Liefs,
Jonathan
Ontdek in een gratis Mini Familieopstelling waar jouw patronen vandaan komen.