Haar lijden blijft haar lijden: als je moeder wil dat jij je zus draagt

Vrouw belt aan de keukentafel

Hoe is het met je zus?

Haar telefoon gaat. Weer een appje van haar moeder.

Hoe is het met je zus? Hoe is het met je zus? Heb je ook contact gehad met je zus?

Ze vertelde het me zo, bijna in één adem: “De hele dag door vragen, hoe is het met je zus, hoe is het met je zus, heb je ook contact gehad met je zus, ja weet je, dat helpt mij niet.”

Ik noem haar Nicole. Een ondernemende moeder die vanuit huis aan haar projecten werkt. Ze kwam bij mij midden in haar scheiding, en ze noemde zichzelf van oudsher een pleaser. Iemand die snel de problemen van anderen oplost. In onze afsluitende sessie keken we terug op wat er veranderd was.

Haar zus zat in een hele zware periode. Wat daar speelt, laat ik hier weg. Dat is haar verhaal, niet het mijne en ook niet dat van Nicole. En dat is eigenlijk meteen het hele punt van deze blog.

Want haar moeder legde die zorg bij Nicole neer. Elke dag. Vele keren per dag.

Ze zei: “Dat ze nog steeds meerdere keren per dag appt, en dat ik af en toe denk: jeetje, hou alsjeblieft op met appen. Ik snap dat jij behoefte hebt aan … maar goed, de behoefte moet van twee kanten komen.”

En toen, zachter: “Dit is niet hoe ik wil zijn in mijn contact naar mijn kinderen.”

De dochter die haar moeder draagt

Ik vroeg haar wat haar oude patronen, de pleaser in haar, eigenlijk met haar deden als dochter. Hoe ze daardoor in het contact met haar moeder stond.

Haar antwoord: “Dat ik een veel sterker gevoel heb dat ik haar moet dragen. Nog steeds.”

Ik moet haar dragen.

Misschien herken je dat. Je bent volwassen, je hebt zelf kinderen, je hebt een bedrijf. En toch, zodra je moeder belt, word je weer de dochter die het moet oplossen. Die haar moet geruststellen. Die moet zorgen dat het goed komt met iedereen.

Het is een rol die je ooit hebt gekregen, of genomen. Vaak al als klein meisje. Omdat je zag dat mama het niet trok. Omdat het thuis rustiger werd als jij sterk was. In systemisch werk heet dat: het kind dat de ouder draagt. Het voelt als liefde. Het is ook liefde. Maar het is liefde op de verkeerde plek.

En die rugzak met stenen neem je mee. Van je moeder. Soms ook al van haar moeder. Tot jij hem je eigen dochter in handen drukt, zonder dat je het doorhebt.

Het patroon van haar moeder veranderde niet. Zij wel.

Wat ik zo mooi vond aan Nicole, is hoe eerlijk ze was over wat er wel en niet anders was geworden.

“Het patroon is niet, de manier van doen en laten is niet veranderd. Alleen de manier hoe ik ermee omga is wel veranderd, maar nog steeds blijft dat lastig soms in het contact. Maar ben ik me wel steeds meer bewust van: hé, wat doe ik? Doe ik dat voor haar of doe ik het voor mezelf? En welke impact heeft het?”

Doe ik dat voor haar, of doe ik het voor mezelf?

Dat is de vraag. Niet: hoe krijg ik mijn moeder zover dat ze verandert? Want dat gaat waarschijnlijk niet gebeuren. Maar: wat doe ik, waarom doe ik het, en met welk effect?

Ze legde het zelf heel helder uit: “Daar waar je het voorheen veel geautomatiseerder gewoon deed, maak ik nu af en toe bewuste keuzes. […] Je kan pas natuurlijk ook iets veranderen op het moment dat je weet dat het anders kan. Je bent eerst onbewust onbekwaam. Pas als je bewust onbekwaam bent, dan kun je er pas iets mee.”

Dat is precies hoe het werkt. Eerst zie je het niet eens. Je draagt gewoon, op de automatische piloot, omdat je nooit anders hebt geweten. Dan zie je het ineens. En dat is niet meteen fijn, want dan zie je jezelf het nog steeds doen. Maar vanaf dat moment kun je kiezen.

En ze was eerlijk over hoe ver ze was: “Dat is allemaal nog steeds cognitief. Gevoelsmatig blijft het soms lastig, merk ik.” Je kunt in je hoofd allerlei redenen bedenken waarom je moeder het niet anders kan, om het voor jezelf makkelijker te maken om te dragen. “Tegelijkertijd blijf je soms makkelijk in die valkuil stappen.”

Wat helpt dan? Haar eigen woorden: “Makkelijker naar jezelf kijken door te zeggen: wat heb ik nodig en wat is voor mij nu belangrijk. En daarin mijn eigen grond te blijven nemen en te pakken, zonder daarvan af te gaan.”

Haar eigen grond. Ze zei het zelf.

Ik doe wat ik kan, en meer doe ik ook niet

En toen kwam haar zus.

“Datzelfde geldt nu ook in het contact met mijn zus. Ja, mijn moeder vindt dat ik meer bij mijn zus moet zijn hierin. Maar ja, daarin ben ik ook heel duidelijk. Ik zeg: ik doe wat ik kan, en meer doe ik ook niet. Want ik ga niet in de valkuil stappen om alles van haar op mijn schouders te nemen. Daar ben ik ook niet voor. En tegelijkertijd vind ik het heel verschrikkelijk wat er bij haar gebeurt. Maar ik kan niet alles van haar oppakken en opnemen.”

Lees die laatste zinnen nog eens. Want daar zit iets wat veel vrouwen niet tegelijk durven te voelen.

Ik vind het verschrikkelijk wat er bij haar gebeurt. En ik kan het niet allemaal oppakken.

Allebei waar. Je kunt heel veel van je zus houden en toch niet haar last dragen. Sterker nog: misschien is niet dragen juist de grootste liefde die je haar kunt geven.

Haar lijden blijft haar lijden

Ik zei tegen Nicole: “Je ontneemt haar de kracht die ze nodig heeft om het te dragen.”

En ik vond haar antwoord prachtig: “Nou, die heeft ze zelf gelukkig heel goed.”

Zie je dat? Ze zag haar zus niet als een slachtoffer dat gered moest worden. Ze zag een sterke vrouw, in een hele zware tijd. En precies daarom hoefde Nicole het niet over te nemen.

Ik maakte de zin af: “Maar als je dus daarin te veel draagt […] Ze heeft het heel zwaar. Haar lijden blijft haar lijden, en dat kun je nooit meenemen. En daarin is het dus handig om op die manier te zeggen: die verantwoordelijkheid ligt bij haar.”

Haar lijden blijft haar lijden.

Dat klinkt misschien hard. Het is het tegenovergestelde. Als jij het lijden van een ander op je schouders neemt, zeg je eigenlijk tegen haar: jij kunt dit niet. Ik doe het wel. En dan neem je haar iets af wat ze heel hard nodig heeft: het vertrouwen dat ze het zelf kan.

Je kunt naast haar staan. Je kunt er zijn, zoveel als jij kunt. Maar je kunt haar pijn niet voor haar voelen. Dat kon nooit.

Een moeder die haar machteloosheid niet kan dragen

Toen werd het pas echt duidelijk wat er in dit gezin gebeurde.

Nicole vertelde: “Mijn moeder is echt de hele dag door bezig met mijn zus, en de hele dag door projecteert ze dat ook op mij. En dan zeg ik: mama, ik begrijp je, ik zou het ook verschrikkelijk vinden als dit met mijn dochter gebeurt, maar het helpt niet om dit 35 keer per dag te zeggen. […] Ik vind het zo erg voor je zus en ik vind het zo verschrikkelijk en ik slaap er niet van, en dat zegt ze echt de hele dag door. […] Daarmee zoem ik af en toe echt uit, door te zeggen: mam, sorry, maar ik kan hier niks meer mee.”

Ik zei: “Zij kan de pijn van haar dochter en de machteloosheid niet dragen.”

“Nee.”

“Haar eigen machteloosheid kan ze niet dragen.”

Daar zit de kern. Het gaat niet eens alleen over de zus. Het gaat over een moeder die haar eigen machteloosheid niet kan verdragen. Als moeder kijken naar je kind dat lijdt en er niks aan kunnen doen: dat is misschien wel het zwaarste wat er is. En wat doe je als je iets niet kunt dragen? Dan geef je het door. Aan degene die altijd draagt.

Nicole zag het haarscherp. “Die projecteert ze echt op mij. En dan zeg ik: mam, ik ben ook moeder van een kind. Als mijn dochter zoiets zou overkomen, zou ik het ook heftig vinden en probeer ik haar echt zoveel mogelijk te helpen. Maar ik kan het niet veranderen. Dus ja, […] ik ga niet van haar lijden mijn lijden maken. Dat kan niet.”

Ik ga niet van haar lijden mijn lijden maken.

Ik zei: “Nee, maar je moeder maakt van haar lijden haar eigen lijden, en gooit dat dan vervolgens bij jouw lijden. Of die maakt dan dat jij gaat lijden.”

Daar heb je hem. De lijn van drie vrouwen. De zus die lijdt. De moeder die het niet kan dragen. En de dochter die het allemaal toegeschoven krijgt. Als Nicole niet stopt, gaat de rugzak door. Naar haar eigen dochter, die ziet hoe je met de pijn van anderen omgaat.

“Bij wie kan ik het dan wel kwijt?”

En dan komt natuurlijk de vraag waar elke dochter op vastloopt.

Nicole vertelde dat haar moeder dan zegt: “Bij wie kan ik het dan wel kwijt? Want ik kan er met niemand over praten.”

Daar voel je de haak. Want ja, dat is zielig. Ja, je wilt je moeder niet in de kou laten staan. En dus pak je het toch weer op.

Nicole deed het niet. Ze zei, met een knipoog naar zichzelf: “Ga naar de huisarts. Even heel flauw gezegd.” En ze voegde eraan toe dat ze haar moeders psycholoog niet is.

Ik zei: “Eens. Want ze moet leren om het te kunnen dragen.” En ik benoemde wat Nicole de afgelopen tijd had gedaan: een manier vinden om ermee om te gaan, van binnen, en haar moeder ook richting een andere persoon wijzen.

Dat is geen afwijzing. Dat is je moeder serieus nemen als volwassen vrouw. Ze heeft hulp nodig. Echte hulp. Niet een dochter die 35 keer per dag hetzelfde aanhoort en er zelf van gaat lijden.

Ik ben mild over die moeder. Ze is machteloos. Ze doet wat ze kan. Maar ik ben streng over het patroon. Want het patroon zegt: de dochter draagt. En dat patroon heeft al lang genoeg gekost.

Wat zocht het kleine meisje?

Later in de sessie gingen we een laag dieper. Ik vroeg: welke liefde wilde het kleine meisje in jou van haar ouders? Waar zocht dat meisje naar?

Ze zei: “Ook gezien worden. Erkenning en gezien worden. Ik denk dat iedereen in de basis daarin gezien wil worden, en er mocht zijn, en kon zijn wat ik wilde.”

Gezien worden. Er mogen zijn.

Dat is waarom zoveel dochters blijven dragen. Niet omdat ze dom zijn. Omdat het kleine meisje in hen hoopt dat ze, als ze maar genoeg draagt, eindelijk gezien wordt. Dat mama dan eindelijk ziet wat voor goede dochter ze is.

Maar dat meisje wordt niet gezien door meer te dragen. Ze wordt alleen nog onzichtbaarder. Want hoe meer je draagt, hoe minder er van jou overblijft om te zien.

De oude en de nieuwe Nicole

Ik vroeg haar om de versie van zichzelf van toen te beschrijven. Ze moest even zoeken. Toen:

“Ik was meer afhankelijk van het gevoel van de ander. Ik wilde de keuzes maken die bij de ander passen.”

En in één zin: “Wat meer emotioneel afhankelijk. Haar welzijn wat meer afhankelijk maken van de emoties van anderen.”

Ik vatte het samen: “Emotionele welzijn afhankelijk van anderen. De oude Nicole had een ander nodig.”

En de nieuwe Nicole? “Die wat meer, in mijn ogen, egoïstischer is, meer voor zichzelf kiest, en ook probeert wat minder de emotionele afhankelijkheid van een ander te hebben.”

Ik hoorde het woord “probeert”. Dus ik vroeg: “Probeert, en lukt af en toe?”

“Sorry?”

“Probeert, en lukt af en toe?”

“Ja. Dus als het lukt …”

“En dan toch meer dan proberen?”

“Ja, oké. Maar goed, er zijn ook momenten dat het niet lukt. […] Het lukt me af en toe om minder emotioneel afhankelijk te zijn van een ander.”

Zie je wat daar gebeurt? Zelfs in haar eigen groei maakte ze zichzelf eerst kleiner. Ik probeer het. Ik ben er nog niet. Ik ben er niet hoor. Ze zei het in die sessie meerdere keren. En dat is waar, niemand is ooit “er”. Maar als iets af en toe lukt, dan is het meer dan proberen. Dan doe je het. Mag je dat ook gewoon zien?

Haar nieuwe ik in één zin: “Die zichzelf beter kan dragen en minder afhankelijk is van anderen.”

Die zichzelf beter kan dragen. Dat is precies de omkering. Eerst droeg ze iedereen, en had ze iedereen nodig. Nu draagt ze zichzelf.

Van je hoofd naar je gevoel

Nicole wist ook precies waar haar volgende stap zat. “Analytisch, dan kan ik het allemaal wel. Klinkt lullig hoe ik het zeg, maar ik ben analytisch heel goed en sterk. Maar het zit met name in het gevoelsniveau. En daar heb ik nog wel wat meer winst te behalen.”

En toen zei ze een zin die ik iedere slimme, sterke vrouw zou willen meegeven:

“Beter naar mijn gevoel kunnen luisteren: wat heb ik nu nodig en wat is goed voor mij nu. In plaats van: ik denk of ik weet dat ik dit nodig heb. Nee, ik wil meer voelen wat ik nodig heb.”

Veel ondernemende moeders zijn meesters in het denken. Je kunt alles beredeneren. Waarom je moeder zo doet. Waarom je zus het zwaar heeft. Waarom het logisch is dat het bij jou terechtkomt. Maar zolang het in je hoofd blijft, blijft je lijf dragen.

Ik vroeg haar waar ze over een jaar wilde staan. Ze zei: “Dat ik de ruimte en de vrijheid voel om ook keuzes te maken, ook in afscheid nemen van bepaalde mensen om mij heen. En dat ik ook meer de vrijheid voel in plaats van de druk. […] De druk is van buitenaf, maar de vrijheid is meer vanuit mezelf.”

En hoe ze daar wilde komen: “Toch meer lichaamsgericht nog meer aan de slag gaan. Meer het leren voelen. Meer het leren stilstaan. […] Minder denken en minder overanalyseren.”

Vrijheid in plaats van druk. Druk komt van buiten. Vrijheid komt van binnen.

Als je het weet, kun je niet meer niet weten

Er was nog iets wat Nicole bezighield. En dat vond ze misschien wel het moeilijkst.

“Lastiger maakt het ook soms wel dat je daardoor ook heel goed gaat kijken naar je vriendschappen en naar alles eromheen. Van: hé, hoe waardevol zijn die, hoe eerlijk zijn die, hoe oprecht zijn die. […] Wat het meteen ook wel heel kwetsbaar maakt. Want juist verbindingen in je leven vind ik, dat verandert niet, nog steeds heel belangrijk.”

Ik zei:

“Dat is wat groei doet, hè. Door jezelf te zien, zie je de ander meer. Op allerlei fronten. Je buitenwereld wordt een reflectie van je binnenwereld, en groei neemt dat vaak met zich mee. Je bent zuiverder, echter, dieper en bewuster. […] En het moment dat je ogen geopend zijn, of je bewustzijn groter is, kun je het niet meer terug in de fles stoppen. Als je het weet, kun je niet meer onweten. Dus eigenlijk gaat er een laag van naïviteit af en zie je mensen voor wie ze echt zijn.”

Nicole vond dat tegelijk het moeilijkste. “Als je alle vriendschappen wegdenkt, om zomaar te zeggen, wie blijft er dan nog over? […] Je hoopt dat een vriendschap ook is dat je er in slechtere tijden voor elkaar bent, maar dat er toch ook echt wel vriendschappen zijn die blijkbaar er alleen maar in leuke tijden zijn.”

En toen gaf ik haar het verschil tussen de oude en de nieuwe Nicole, maar dan in haar vriendschappen:

“Eerst dacht je dat je daar afhankelijk van was, omdat je ze nodig had. Door het masker wat afvalt merk je: maar wie heb ik echt nodig? Mezelf. De juiste mensen. En dat is het verschil. […] Het idee dat zij er voor jou waren, gaf jou het idee dat je veel meer kon dragen. Maar nu is het net andersom. Je kunt jezelf dragen, waardoor je minder behoefte hebt aan de afhankelijkheid van die mensen die jou eigenlijk niet echt droegen.”

Nicole bleef eerlijk: “Volgens mij ben ik er nog niet, hoor. Maar dat is wel de strekking waar het naartoe gaat.” Ze kon nog lang niet van iedereen afscheid nemen. Maar als ze terugkeek, waren er mensen die er nauwelijks voor haar waren geweest. Die misschien één keer per half jaar vroegen hoe het met haar ging.

Dat is het rare van groeien. Hetzelfde gebeurt met je moeder, met je zus, met je vriendinnen. Je gaat zien wie draagt en wie gedragen wil worden. En dat kun je niet meer niet zien.

Misschien herken je dit

Laat me het naar jou vertalen.

Misschien is het bij jou niet je zus. Misschien is het je broer die altijd ergens in vastzit. Je vader die na de scheiding van je ouders bij jou zijn verhaal kwijt moet. Je moeder die belt zodra er iets mis is in de familie, omdat jij “toch altijd zo goed weet wat je moet doen”.

En jij? Jij draagt. Naast je kinderen. Naast je bedrijf. Naast je eigen leven. Je neemt op, ook als je midden in een klantgesprek zit. Je ligt ’s nachts wakker van de pijn van een ander. En als je één keer nee zegt, voel je je de slechtste dochter van de wereld.

Wat als het geen liefde is om het over te nemen? Wat als je je moeder, je zus, je broer daarmee juist klein houdt? En wat als jij, door alles te dragen, je eigen dochter leert dat dit is wat vrouwen doen?

Haar lijden blijft haar lijden. Jij mag ernaast staan. Je mag je hand op haar schouder leggen. Maar je hoeft haar rugzak niet om te hangen.

Dat is op je eigen grond staan. Niet hard. Niet koud. Gewoon helder: dit is van mij, en dat is van jou.

Wat je deze week kunt doen

1. Stel Nicoles vraag. Elke keer dat iemand uit je familie iets van je vraagt deze week, of je merkt dat je iets van een ander gaat oppakken, stop je even en vraag je: “Doe ik dit voor haar, of doe ik het voor mezelf?” En daarna: “Wat heb ik nu nodig?” Je hoeft het antwoord niet meteen om te zetten in actie. Alleen zien. Van onbewust naar bewust.

2. Oefen één zin. Schrijf op een briefje: “Ik doe wat ik kan, en meer doe ik ook niet.” Zeg hem drie keer hardop, met je hand op je hart. En als je deze week voelt dat je weer andermans last oppakt, zeg je hem in jezelf. Of hardop, als het moet.

3. Schrijf je oude en je nieuwe ik op. Precies zoals Nicole deed. Eén zin over de oude jij: “De oude ik …” Eén zin over de nieuwe jij: “De nieuwe ik …” En als je het woord “proberen” opschrijft, vraag jezelf dan: lukt het af en toe? Dan is het meer dan proberen. Schrijf het dan zo op.

4. Kijk eerlijk naar wie er was. Schrijf de namen op van de mensen die er in jouw zwaarste tijd echt voor je waren. Niet wie er zou moeten zijn. Wie er wás. Je hoeft niemand weg te strepen. Je mag alleen zien wie jou draagt, en wie jij draagt.

Je hoeft niet iedereens lijden te dragen om een goede dochter, zus of moeder te zijn. Je mag jezelf dragen.

Lees ook Familieopstelling: zien wat je altijd al voelde en Wat is een online familieopstelling?.

Benieuwd hoe dit in een opstelling zichtbaar wordt? Lees hoe een online familieopstelling werkt, gewoon vanuit huis.

Zet hem op deze week.

Liefs,
Jonathan

Wil je hier zelf mee aan de slag?

Ontdek in een gratis Mini Familieopstelling waar jouw patronen vandaan komen.

Plan je gratis Mini Familieopstelling

Stel je vraag aan Saar