
Ik had haar net gevraagd hoe streng ze voor zichzelf is op een gemiddelde dag. Ze hoefde er niet over na te denken. “160 procent.”
Ik noem haar Esther. Ondernemer, moeder van een dochter van bijna drie. Een vrouw die heel lang heeft gewerkt in een wereld waar je altijd aan moet staan, en die nu haar eigen praktijk opbouwt. Een vrouw die, in haar eigen woorden, haar lat veel te hoog heeft liggen.
Dus ik vroeg haar iets anders. Stel nou dat je elke week zou voelen: ik hoef niet alles zelf te dragen. En die 160 procent gaat naar 100. Gewoon 100 procent strengheid voor jezelf. Wat dan?
“Dan had ik gewoon nog veel energie over. Heel veel ruimte, heel veel.”
En terwijl ze dat zei, gebeurde er iets in haar lijf. Ik zag het op mijn scherm.
“Kijk wat er met je schouders gebeurt,” zei ik. “Kijk wat je uitblaast, fysiek. Net rolde je met je ogen, nu is het een letterlijke reactie. Ruimte over. Ik heb veiligheid over. Ik heb energie over.”
Weet je wat ik zo bijzonder vind? Ze hoefde niks te doen. Ze hoefde geen nieuwe gewoonte aan te leren, geen cursus te volgen, geen extra uur te maken. Alleen al het idee dat ze iets minder streng voor zichzelf mocht zijn, liet haar schouders zakken. Haar lijf wist het eerder dan haar hoofd: die strengheid kost haar alles.
Ik zei er iets bij over de jaren waarin zij nu zit. De tropenjaren, met een kleintje van bijna drie.
“In de tropenjaren moet je niet volledig aan je relatiedoelen werken. Je probeert een baby op te voeden. Dat kan, maar je hebt slaaptekort. Je bent blij dat er een fatsoenlijk gesprek komt en dat je het een keer niet alleen hebt over de luiers en wat er met het kind moet gebeuren. Dat is dan een overwinning.”
Een fatsoenlijk gesprek met je partner. Dat is in die jaren een overwinning. Dat snapt iedereen die kleine kinderen heeft.
“En hoezo kunnen we dat wel als een overwinning zien,” vroeg ik, “maar moeten we nu door duizend hoepels springen, dan pas zijn we goed genoeg?”
Want zo werkt het bij zoveel vrouwen die bij mij komen. Voor anderen zijn ze mild. Een vriendin die het zwaar heeft, krijgt alle begrip. Een moeder op het schoolplein die zegt dat ze het even niet trekt, krijgt een arm om haar heen. Maar voor zichzelf geldt een andere maat. Daar moet het altijd meer. Daar telt een rustige dag niet. Daar telt alleen wat ze na duizend hoepels heeft bereikt.
Ik zei het tegen Esther heel duidelijk. Wat ze die dag had laten zien, hoe trouw ze aan zichzelf was gebleven, dat maakte echt indruk op mij. “Dat getuigt van een Esther die sterk is. En dat je dit kan terwijl je al dit met je meedraagt, is dus nog meer een bewijs voor mij. En eigenlijk zou dat voor jou ook een bewijs moeten zijn, hoe sterk je wel niet bent.”
En toen zei ze de zin.
“Te sterk soms hoor. Ik wil niet meer sterk zijn, Jonathan. Ik wil niet meer sterk zijn.”
Twee keer.
Ik weet hoeveel vrouwen dit herkennen. Je bent degene die alles draagt. Die alles regelt. Die de familie bij elkaar houdt, het bedrijf runt, de kinderen opvangt, de partner overeind houdt als hij het moeilijk heeft. Iedereen zegt: jij bent zo sterk. Jij kan dat wel. Wat ben jij een power vrouw.
En ergens, diep vanbinnen, zit een vrouw die moe is van sterk zijn.
Maar ik hoorde iets in haar zin wat ik niet zomaar wilde laten staan. Want als je tegen jezelf zegt “ik wil niet meer sterk zijn”, dan zeg je ook iets over de kracht die je wél hebt. En die kracht heeft ze nodig. Voor haar dochter. Voor haar klanten. Voor zichzelf. Dus ik draaide het om:
“Je wil niet meer vechten, lieve schat. Je wil heel sterk zijn voor je klanten, voor je gezin, voor je kids. Je wil sterk zijn voor je dochter, die dan als peuter of puber helemaal losgaat, dan wil je heel sterk zijn. Maar niet meer willen vechten. Sterk zijn vanuit een rustig zenuwstelsel.”
Sterk zijn vanuit een rustig zenuwstelsel.
Lees dat nog eens. Want daar zit het hele verschil.
“Pas op wat je tegen jezelf zegt,” zei ik erbij. “Je wil niet meer vechten. Want hoe moe maakt dat je?”
“Heel moe.”
“Want je verlangt ernaar om zacht te zijn. Voor jezelf vooral.”
Ik wil hier even bij stilstaan, want ik denk dat dit misschien het belangrijkste is wat ik je in deze blog kan meegeven.
Er is een verschil tussen sterk zijn en vechten.
Vechten is sterk zijn vanuit angst. Je lijf staat aan. Je kaken staan strak. Je loopt de hele dag een stapje voor op wat er mis kan gaan. Je regelt alles zelf, omdat je er niet op vertrouwt dat een ander het doet. Je bent de bulldozer die alles oplost. En het werkt. Mensen zijn onder de indruk. Maar het kost je alles. Aan het eind van de dag ben je leeg, en je weet niet eens waarom, want je hebt toch “alleen maar” gedaan wat je altijd doet.
Sterk zijn vanuit een rustig zenuwstelsel is iets anders. Dan sta je stevig, maar je hoeft niet te vechten. Dan kan je dochter een driftbui hebben en kun jij blijven staan, zonder dat je eigen lijf meegaat in de storm. Dan kan een klant moeilijk doen en kun jij helder blijven. Dan ben je er, voor iedereen, zonder dat het ten koste gaat van jou.
Esther vertelde later in de sessie hoe ze in haar carrière werd genoemd. “Mijn hele carrière was mijn bijnaam Bulldozer. Esther lost het op.” En ze zei er meteen achteraan: “Ja, maar die was niet dienend aan zichzelf.”
“En het kost jezelf,” zei ik.
“Ja.”
De bulldozer lost alles op. Voor iedereen. Behalve voor zichzelf.
Ik wilde weten waar Esther wél rust voelt. Dus ik vroeg het haar. “Wanneer ben je vrij jezelf?”
“Als ik in het water ben.”
“Wat gebeurt er dan als je in het water bent, en waarom ben je dan vrij jezelf?”
“Dan ga ik met mijn hoofd onder water. Het is gewoon niks anders meer dan alleen maar mijn wereld. Dan hou je ook je adem in, dan is alles stil.”
Alles stil. Ik kon het bijna voelen toen ze het zei. Even geen geluid, geen vragen, geen kind dat iets nodig heeft, geen klant, geen telefoon. Alleen maar haar.
Prachtig. En tegelijk hoorde ik iets wat ik vaker hoor bij vrouwen die heel lang sterk zijn geweest.
“Ik hoor heel veel alleen-strategieën,” zei ik. “Ik ga alleen wandelen. Als ik de hele dag alleen ben. Onder water, niemand er is.”
Ik haalde er iets bij van Eckhart Tolle, die zoveel heeft geschreven over de kracht van het nu en over voelen. Hij zegt: “If you think you’re enlightened, spend a weekend with your family.” Als je denkt dat je verlicht bent, ga dan een weekend bij je familie zitten.
“Iedereen kan manifesteren en zich heel fantastisch voelen op hun kussentje,” zei ik tegen Esther. “Het bewijs is als je de botsing met de wereld hebt. Je kunt je heel krachtig alleen voelen en dat werkt fantastisch. Maar de echte test is hoe dat gaat met klanten die je triggeren, met je partner, met je moeder. Met berichtjes.”
Begrijp me goed. Ik zeg niet dat ze moet stoppen met zwemmen. Dat water is goud waard. Iedere moeder heeft een plek nodig waar alles even stil is. Maar als de enige plek waar je jezelf mag zijn onder water is, met je adem ingehouden, dan zegt dat iets. Dan is het leven boven water blijkbaar een plek waar je niet vrij bent.
Dus ik vroeg het anders. “Wanneer voel je je nou het meest jezelf, zonder dat je iets moet bewijzen bij anderen?”
“Thuis, met mijn kind, met mijn man.”
Thuis. Met de mensen die het dichtst bij haar staan. Daar hoeft ze niks te bewijzen. En daar is het ook het spannendst. Want ik zei toen iets wat voor bijna iedereen geldt:
“Het is doodeng om gezien te worden voor wie je echt bent.”
En toen kwam er iets naar boven wat ik bij heel veel moeders zie, maar wat bijna niemand hardop zegt.
“Ik zei laatst tegen iemand: ik mis mij. De versie, de corporate versie, de versie pre-mama.”
Ik mis mij.
Als je moeder bent, weet je misschien precies wat ze bedoelt. Er was een vrouw vóór de kinderen. Een vrouw die wist wat ze waard was op haar werk. Die uit eten kon zonder oppas te regelen. Die haar eigen ritme had, haar eigen lijf, haar eigen tijd. En dan wordt je kind geboren, en je houdt zielsveel van dat kind. En tegelijk is er iets verdwenen wat je nooit meer helemaal terugkrijgt.
Dat mag gemist worden. Dat is rouw. En het mag er zijn.
Maar ik hoorde ook iets anders in haar zin, en dat benoemde ik. “Het is alleen maar: ik ben er nog niet. Of: wie ik was, was altijd beter dan wie ik nu ben. Dat is weer een waardeoordeel. Want toen was ik beter.”
Ze zei: “Nou nee, niet vanuit die hoedanigheid. Ik snap wat je wilt zeggen.”
“Toen wist ik wat ik aan mezelf had, en dit is nieuw.”
“Dit doe ik pas drie jaar en dat andere deed ik heel lang.”
Precies. De corporate Esther had jaren de tijd gehad om te weten wie ze was. De moeder Esther, de ondernemer Esther, die is drie jaar oud. Natuurlijk voelt de oude versie vertrouwder. Ik zei: “Ik snap de comfort in het bekende. De vrijheid die dat geeft. En er zijn aspecten van terug te vinden, maar nooit meer hetzelfde.”
“Omdat het nooit meer hetzelfde is,” zei ze. “Nee.”
Dat is onderdeel van het moederschap. Een rauw proces, waarin je afscheid neemt van een versie van jezelf die je nooit meer helemaal terugkrijgt. En dan zie je wat er gebeurt als je dat niet kunt accepteren. Ik verwoordde het voor haar: ik kan niet helemaal accepteren dat ik die vrije versie niet meer helemaal kan worden. Daar zit een oordeel aan. “En dan is het weer heel makkelijk om naar de strategie te gaan: ik ben toch niet goed genoeg. Dus dan moet je automatisch weer harder werken, als reactie daarop.”
Zie je de cirkel? Ik mis wie ik was. Wie ik nu ben is niet genoeg. Dus ik moet harder werken. Dus ik word nog strenger voor mezelf. Dus ik mis wie ik was nog meer. En de bulldozer rijdt weer.
“En dan kom je allemaal weer terug, als het oordeel eruit gaat. De acceptatie en het in het moment zijn, dan is het alweer veel makkelijker om met al die emoties om te gaan.”
Ik zei tegen Esther dat het lastig is om te accepteren dat je nu bent waar je nu bent. En dat het lastig is om alle emoties die er zijn te accepteren. En toen kwam er een beeld bij me op.
“Alsof je constant in de startblokken zit en weer wat moet. Je kunt ook gewoon het stadion uitlopen. Niks te bewijzen.”
Zie het voor je. Een atleet in de startblokken. Gespannen. Vingers op de lijn. Oren gespitst op het startschot. Elke spier staat aan. Zo leven veel vrouwen die ik spreek. Elke dag. Klaar om te rennen. Klaar om te bewijzen dat ze het kunnen. Klaar voor de volgende race.
En wat als je opstaat? Je trainingsjack pakt. En gewoon het stadion uitloopt. Naar buiten, waar geen publiek zit en geen klok loopt.
“Hoe vaak gebeurt dat nou, dat je niks hoeft te bewijzen?” vroeg ik. “Behalve dan alleen met je gezin.”
Want dat zei ze net zelf: thuis, met haar kind en haar man, daar is ze het meest zichzelf. Daar is ze al buiten het stadion. Ze weet hoe het voelt. Alleen nog niet overal.
Esther pakte het beeld meteen op. “Mag je ook gewoon voor de spiegel staan? Nou, ja, ik hoef niks te bewijzen. Precies. Nou, dat heeft nog wel de oefening nodig.”
“Jij en je kleine meisje mogen voor de spiegel staan,” zei ik. “Hier ben ik.”
En toen vertelde ze iets wat me ontroerde.
“Er hangt een foto van het kleine meisje naast de spiegel.”
Ze had het al gedaan. Naast haar spiegel hangt een foto van haarzelf als klein meisje. De vrouw van nu in de spiegel, en het kind van toen ernaast.
Ik zei tegen haar dat dat meisje een vechtertje was. Een meisje dat zich uitsprak. “Wel ballen hoor.”
Dat meisje heeft geleerd dat ze moest vechten om er te mogen zijn. Dat ze alles zelf moest oplossen. Dat ze sterk moest zijn, omdat er niemand was die het voor haar deed. En dat meisje werd de bulldozer.
En nu, als volwassen vrouw, mag ze iets anders leren. Ik zei:
“En ook al kon je bij niemand terecht, je hoeft niet te wachten tot de externe wereld veilig gaat zijn voor jou. Je hoeft niet te wachten tot mama zegt: ik hou van je.”
Je hoeft niet te wachten tot mama zegt: ik hou van je.
Ik weet hoe groot die zin is. Veel vrouwen leven hun hele leven in de wachtkamer. Ze wachten tot hun moeder eindelijk zegt dat ze trots is. Tot hun vader eindelijk ziet wat ze heeft opgebouwd. Tot de wereld eindelijk een plek wordt waar ze mogen ontspannen. En zolang dat niet gebeurt, blijven ze vechten.
Maar je mag zelf de veilige plek worden. Voor het meisje op die foto. Dat is wat sterk zijn vanuit rust betekent. Niet: niemand meer nodig hebben. Wel: niet meer hoeven wachten.
Esther vertelde ook over haar relatie. Want als je jarenlang hebt gevochten, doe je dat niet alleen op je werk. Je neemt het mee naar huis.
Ze beschreef een moment dat waarschijnlijk elke moeder kent. Ze stond met haar handen vol, met een kind. Er was iets gevallen. Ze vroeg haar man om even een doekje te pakken.
“Dan ging hij rennen alsof het huis in de brand stond achter me. Dude, rustig, ze slaapt, er is niks aan de hand, gewoon even een doekje, kan rustig lopen, neem de tijd, komt goed.”
Het is zo herkenbaar. En tegelijk zag ik er een patroon in. Ze vertelde dat haar partner lange tijd in zo’n reflex had gezeten, van zorgen en rennen. En ik zei:
“Ja, dat is lastig. Want als hij het bange jongetje is, dan zet jij het schild weer meer aan, waardoor hij het bange jongetje kan blijven.”
“En daar kwamen we niet meer uit,” zei ze.
“Want het bange meisje kan niet het veilige meisje worden.”
Zie je hoe dat werkt? Hij schiet in de stress. Zij voelt dat, en haar schild gaat omhoog. Ze wordt de sterke, de rustige, degene die het overneemt. En omdat zij het overneemt, hoeft hij niet te leren om zelf rustig te worden. En omdat hij niet rustig wordt, blijft haar schild omhoog. En onder dat schild zit een bang meisje dat nooit de kans krijgt om veilig te worden, omdat ze het altijd moet dragen.
Esther kende het patroon. “Ik was altijd de najager en hij degene die dichtklapte.” Ze vertelde het me eerlijk: ze hadden samen besloten dat ze eerst allebei aan zichzelf gingen werken. Voordat ze verder samen aan de relatie gingen werken. “Intuïtie volgen was dat,” zei ze. En toen, tegen zichzelf: “Goed gedaan, Esther.”
“Ach, ik vind je echt heerlijk,” zei ik. “Goed gedaan, Esther.”
“Ik probeer het, Jonathan. See the effort.”
“Ik zie het.”
“Ik zie alles. Ik zie jou.”
En toen vroeg ik:
“Maar ergens, durf je jezelf echt te zien?”
Want dat is het met vrouwen die heel sterk zijn. Ze zien alles. Ze zien hun kind, hun partner, hun klanten, hun coach. Ze zien precies wat iedereen nodig heeft. Maar zichzelf zien, het bange meisje onder het schild, dat is het spannendst. “Het is totaal ongemakkelijk om alles los te laten wat je kent.”
Toen vertelde Esther iets waar ze mee zat. “Het erge van dit alles is dat ik tegen mijn partner heb gezegd: ik voel me niet meer veilig. En dat hij dus nu denkt dat het aan hem ligt.”
Je kent dit misschien. Je zegt iets eerlijks over hoe jij je voelt, en je partner hoort een verwijt. Hij gaat in de verdediging, of hij trekt zich terug. En jij denkt: zo bedoelde ik het niet. Maar je weet ook niet goed hoe je het dan wel moet zeggen.
Ik zei:
“Twee dingen kunnen naast elkaar bestaan.”
En ik sprak het voor haar uit, zoals ze het tegen hem zou kunnen zeggen. Ik voel me niet veilig met mezelf. En op sommige momenten sta jij er niet. Allebei waar. Het ligt deels aan mij, omdat ik mezelf niet kan dragen. En ik wil op jou kunnen leunen. “En zonder te zeggen dat je niet genoeg bent: ik gun je dit, en ik zeg dit juist vanuit liefde, niet vanuit oordeel.”
Dat is geen makkelijk gesprek. En ik zei er eerlijk bij waarom het zo moeilijk is: “Je hebt het never nooit van je leven geleerd. Van wie heb je dat nou geleerd, communiceren? Kijk hoe je bent opgegroeid. Dus ook daarin mag je een heel leuk proces in, van communicatie, en hoe je liefdevol met een partner kan communiceren. Want 100 procent was dat niet bij je ouders. 100 procent hebben je ouders dat niet aan jou geleerd.”
Esther voegde er één zin aan toe, en ik denk dat die zin samenvat waar deze hele blog over gaat:
“En ook geen rust leren maken.”
Geen rust leren maken. Niet in het huis waar ze opgroeide. Dus leerde ze vechten. En nu, als vrouw, als moeder, als partner, als ondernemer, mag ze leren wat ze toen niet kreeg. Rust. Zachtheid. Sterk zijn zonder te vechten.
Misschien ben jij ook de sterke. In je familie, in je relatie, in je bedrijf. Misschien hoor je vaak: “Jij kan dat wel.” “Hoe doe je dat allemaal?” “Wat ben jij een sterke vrouw.” En misschien lach je dan, en zeg je dat het wel meevalt. En ergens denk je: als jullie eens wisten hoe moe ik ben.
Misschien is jouw water een warm bad als de kinderen slapen. Of de auto, waar je na het boodschappen doen nog vijf minuten blijft zitten voordat je naar binnen gaat. Of een lange wandeling, alleen, oortjes in. Daar is het stil. Daar hoef je even niks.
En misschien mis jij ook iemand. De vrouw die je was, voordat alles zo vol werd.
Ik wil je zeggen: dat mag allemaal. De vermoeidheid mag er zijn. Het gemis mag er zijn. Je mag zeggen: ik wil niet meer sterk zijn. Maar luister ook naar wat eronder zit. Want ik denk niet dat je zwak wilt zijn. Ik denk dat je niet meer wilt vechten. Je wilt staan zonder dat je hele lijf aan staat. Je wilt dat iemand je ziet, ook als je even niet sterk bent. En misschien wil je vooral dat jij jezelf zo ziet.
Je kinderen kijken mee. Wat leren ze als ze zien dat mama altijd vecht? Dat liefde iets is wat je verdient door alles te dragen. Wat leren ze als ze zien dat mama stevig staat en tegelijk zacht is? Dat je sterk kunt zijn zonder jezelf te verliezen. Dat geef je ze niet door met woorden. Dat geef je ze door met een rustig zenuwstelsel.
1. Doe de 160 naar 100 test. Geef jezelf vanavond een eerlijk cijfer: hoe streng ben ik voor mezelf op een gemiddelde dag, in procenten? Stel jezelf dan de vraag die ik Esther stelde: wat zou ik overhouden als dat 100 procent werd? Schrijf het antwoord op. En let op je schouders terwijl je het schrijft. Wat doet je lijf?
2. Vervang één keer “ik wil niet meer sterk zijn”. Als je deze week merkt dat je denkt “ik kan niet meer” of “ik wil niet meer sterk zijn”, leg dan je hand op je hart en zeg het anders: “Ik wil niet meer vechten. Ik wil sterk zijn vanuit rust.” Pas op wat je tegen jezelf zegt. Je lijf luistert mee.
3. Neem je water mee naar boven. Kies je eigen stille plek, je water. Ga daar deze week minstens één keer bewust naartoe. En kies daarna één moment met anderen, met je kind, je partner of een vriendin, waarop je bewust niks bewijst. Geen bulldozer. Gewoon jij. Kijk wat er gebeurt in de botsing met de wereld.
4. Loop het stadion uit. Plan deze week één uur waarin je niks hoeft te bewijzen. Geen to-do, geen productief doel, geen “nuttige” wandeling. Merk je dat je toch in de startblokken gaat zitten? Zeg hardop: “Niks te bewijzen.” En sta op.
5. Hang een foto naast je spiegel. Zoek een foto van jezelf als klein meisje en hang hem naast de spiegel, zoals Esther deed. Kijk elke ochtend naar jullie allebei en zeg: “Hier ben ik.” En als je durft: “Je hoeft niet meer te wachten. Ik ben er nu voor je.”
6. Zeg de twee dingen tegen je partner. Is er iets wat je je partner al een tijd wilt zeggen, maar bang bent dat hij het als verwijt hoort? Probeer het in twee delen: “Dit gaat over mij: ik vind het moeilijk om me veilig te voelen in mezelf. En ik wil op je kunnen leunen. Ik zeg dit vanuit liefde, niet vanuit oordeel.” Het hoeft niet perfect. Niemand heeft het je geleerd. Je mag het nu leren.
Je hoeft niet meer de bulldozer te zijn. Je mag staan. Rustig. Zacht. En toch heel, heel sterk.
Lees ook Stap uit de sneltrein: een oefening om trots te zijn op wat je gedragen hebt en Zichtbaar worden zonder perfecte achtergrond: ontblur je camera en begin in je digitale garage.
Ben jij een ondernemende moeder die hierin vastloopt? Lees hoe ik werk als coach voor ondernemende moeders.
Zet hem op deze week.
Liefs,
Jonathan
Ontdek in een gratis Mini Familieopstelling waar jouw patronen vandaan komen.