
Stel je een zaal voor met 350 mensen. Ondernemers, allemaal daar om te groeien, allemaal met een verhaal dat ze meestal voor zich houden.
En er vliegen microfoons door de zaal. Van die zachte blokken die je naar iemand toe gooit, zodat die persoon kan praten. Iedereen die iets wil delen, steekt zijn hand op, vangt het ding en vertelt.
Ik stak mijn hand op.
In een Insta live van de podcast What’s Your Story vertelde ik later wat er toen gebeurde:
“En wat gebeurt er? Vaak maken wij in ons leven dingen mee, en dan denk je: ik ben de enige, of er zijn weinig mensen die dat hebben meegemaakt. Dus ik stond daarop en ik vertelde dat ik opgroeide en dat ik in een kindertehuis heb gezeten toen ik jong was. Met ouders die niet voor me konden zorgen, en dat ik daar zat. En door me kwetsbaar op te stellen en het erover te hebben dat ik in een kindertehuis zat, en dat ik daardoor voor altijd voor mezelf moest zorgen […], dat ik alles alleen moest doen. En om dat te delen voor een groep van 350 mensen: er was iets magisch.”
Iets magisch. Zo voelde het echt. Maar het magische zat niet in dat ik het durfde te zeggen. Het magische kwam pas daarna. Daar kom ik zo op.
Eerst wil ik je meenemen naar een ander moment op dat seminar. Want ik stond daar niet zomaar op. Er was die dag iets in mij opengebroken.
Ik was toen nog niet zo lang ondernemer. Ik wilde heel graag mensen helpen, en ineens kwam alles tegelijk op me af. “What the fuck, moet ik website, ik moet dit doen, ik moet zus,” zo vatte ik het later samen. In de podcast Your Future Is Now vertelde ik er uitgebreid over:
“Dus elke keer als ik iets wilde doen, kwam ik erachter dat dat survivalmechanisme weer in de weg zat. Ik moest mezelf onder de loep nemen. […] En daar kwam ik op een hele leuke manier achter. Midden in een zaal met 350 man. Met een reflectieoefening. En ik maar journalen. Het was een oefening daar in die zaal. En op een gegeven moment, na tien minuten nadenken. En de volgende vraag: en waarom zit daaronder? En waarom lukt het nu niet met mijn onderneming? Kwam de zin: ik vraag nooit hulp. Uitroepteken. En met dat uitroepteken kwam er een soort van interne lichaamsrelease. Van tranen. Midden in die zaal van 350 man.”
Ik zat daar te huilen. Niet een traantje. “Ik zat zo hard te huilen,” zei ik erover. Om me heen mensen die niet goed wisten wat ze moesten doen. “Mensen die awkward zakdoekjes aan mij gaven.” De spreker kwam zelfs van het podium af en kwam naast me zitten.
En ik? Ik voelde vooral helderheid. “Bij mij was het alsof het een helder licht was. […] Ik vraag nooit hulp. En daaronder zat dus dat survivalmechanisme. Waar ik nog steeds aan vasthield.”
Ik vraag nooit hulp. Met een uitroepteken. Alsof het een prestatie was. Alsof het iets was om trots op te zijn.
Misschien glimlach je nu een beetje. Omdat je het herkent. Omdat jij ook met griep de boodschappen doet, met een kind op je heup en je telefoon tussen schouder en oor. Omdat je om elf uur ’s avonds nog facturen zit te maken terwijl je partner vraagt of hij iets kan doen, en jij zegt: nee joh, het gaat wel. Omdat je liever drie keer opnieuw iets uitzoekt dan één keer een andere ondernemer te bellen.
Waar komt zo’n uitroepteken vandaan? Bij mij weet ik het precies.
Ik heb het niet vaak zo hardop gezegd als in De Taboecast, waar ik mijn verhaal vanaf het begin vertelde:
“Maar ik denk dus 13 tot 14 keer verhuisd. Ik heb ook nog van mijn achtste tot mijn elfde, ben ik uit huis geplaatst, zijn we alle drie uit huis geplaatst en heb ik in een kindertehuis gezeten.”
Alle drie. Mijn twee oudere zussen en ik. Drie kinderen van wie de ouders er op dat moment niet klaar voor waren om echt ouder te zijn.
Wat ik me ervan herinner? Eerlijk gezegd niet zo veel. En dat is geen toeval. Ik legde het in die podcast zo uit: “Soms is het leven zo heftig, dat je je brein, je lijf en je gedachten je proberen te beschermen. […] Dus heel veel periodes uit mijn leven weet ik niet. En van het kindertehuis, van mijn achtste tot mijn elfde, zou ik meer moeten herinneren. Ik heb er niet veel herinneringen van. Niet dat dat per se daar heel slecht was. Maar gewoon omdat mijn brein gewend was om te beschermen.”
Maar één ding weet ik nog wel. Het gevoel. En dat gevoel zal je misschien verbazen.
“Mijn grootste gevoel met betrekking daartoe was dat het fijn was. Ik had adequate mensen die op mij reageerden. Ik werd gezien. Drie keer per dag was er eten. […] Ik heb een uitspraak waarbij ik zeg: als er drie dingen op ons bord lagen, was het luxe. Nou, daar kwam ik vandaan. En dan kom je in een kindertehuis, waarbij je drie keer per dag gewoon goed eten krijgt. Dus ik voelde me verwend. Ik voelde me goed. En ik voelde dat er naar me werd gehoord en gezien. […] Er werd wel voor me gezorgd. En ja, misschien wel voor het eerst echt gezorgd. Wat ik misschien nodig had. Helaas niet door, ja, mijn hechtingsfiguur.”
Lees die laatste zinnen nog een keer. Voor het eerst echt gezorgd. Helaas niet door mijn hechtingsfiguur.
Daar zit het hele verhaal in. Een jongetje dat voor het eerst ervaart hoe het is als volwassenen reageren, als er eten is, als iemand je ziet. En ik denk dat dat jongetje er tegelijk iets anders leerde: dit komt niet van mama of papa. En als het niet van hen komt, dan moet ik het straks zelf doen.
Wat neemt zo’n kind mee? In De Taboecast zei ik het zonder omwegen:
“Ik heb nooit gezien hoe het is om een gezin te hebben. Hoe het goed is om een gezin te hebben. Ik weet nooit hoe je op een normale manier met elkaar moet communiceren. Liefde is altijd ingewikkeld geweest in de eerste fase. […] Hoe laat ik mezelf zien? Ik was extreem onzeker.”
En dus bouwde ik iets. Geen huis, maar een muur. In Your Future Is Now legde ik uit wat die muur me bracht, en wat hij me kostte:
“Ik had een manier nodig vroeger om te overleven. […] En mijn survivalmechanisme was het verhaal: ik moet alles alleen doen. In mijn jeugd beschermde het mij […]. Als kind schermde het mij af tegen de negatieve dingen. Maar als volwassene schermde het mij af tegen de positieve dingen. […] Want een muur opzetten, dat zorgt ervoor dat je niet gekwetst wordt en geen pijn krijgt. Maar dat zorgt ook dat niemand binnenkomt.”
Dit is het belangrijkste inzicht van deze hele blog. Dus ik ga het nog een keer zeggen, maar dan voor jou.
Wat jou als meisje beschermde, kan jou als vrouw tegenhouden.
Ik ben mild voor dat jongetje dat ik was. Hij deed precies wat hij moest doen. Hij overleefde. Hij werd zelfstandig, sterk, iemand die niemand nodig had. Dat was slim. Dat was nodig.
Maar ik ben streng voor het patroon. Want toen ik als volwassen man een bedrijf wilde bouwen, zat dat jongetje nog steeds aan het stuur. En hij liet niemand binnen. Geen hulp, geen advies, geen steun. Ook niet de goede dingen.
Herken je dat bij jezelf? Dat je ooit hebt geleerd dat je op niemand kunt rekenen, en dat je dat nu nog steeds bewijst, elke dag, door het allemaal zelf te doen? Misschien was jouw moeder er wel, maar was ze er niet echt. Misschien was je de oudste en moest je het zelf uitzoeken. Misschien kreeg je te horen: stel je niet aan, los het zelf maar op. Het hoeft geen kindertehuis te zijn geweest om met precies dezelfde muur rond te lopen.
Terug naar die zaal. Ik zat daar met mijn tranen en mijn uitroepteken. En ik deed wat ik altijd doe als ik iets doorheb. Ik ging er vol in.
“Ik ben ontzettend gedreven. En als ik iets doe, dan ga ik voor 100%. Dus na die realisatie heb ik gewoon gezegd: ik ga deze week drie mensen om hulp vragen. […] Ik vraag geen hulp. Ik doe, ik regel het wel. Ik vind wel een weg. Want dat is mijn manier. Dat moest ik doen. Dat is mijn hele leven al zo. Ik vraag geen hulp. Met een gipspoot liep ik met mijn volle container aan de weg. […] Dan vond ik het nog erg om mijn buurvrouw daarvoor om hulp te vragen. Zot eigenlijk, hè? Maar ik dacht: ik ga ervoor.”
Met een gipspoot. Een volle container. Over de stoep. Omdat ik het te erg vond om bij de buurvrouw aan te bellen.
Als je het zo leest, is het bijna grappig. Maar zo voelt het van binnen niet. Van binnen voelt hulp vragen als falen. Als zwak zijn. Als iemand tot last zijn. Als het risico dat je nee hoort, en dat je dan weer voelt wat je als kind voelde: zie je wel, ik sta er alleen voor.
Dus drie mensen om hulp vragen in één week was voor mij geen kleine opdracht. Het was een verbouwing. En weet je wat er gebeurde?
“En eigenlijk sinds die dag en die weken en die maanden en nu drie jaar later: in plaats van ik moet alles alleen doen, heb ik een standaardzin: samen kom je verder.”
Samen kom je verder. Uit de mond van iemand die zijn hele leven dacht dat samen gevaarlijk was.
En nu het magische deel. Het deel waarvoor ik dit verhaal eigenlijk vertel.
“Maar het mooie komt nu. Mensen kwamen in de pauze naar me toe. Weet je wat? Ik heb ook in een kindertehuis gezeten. Ik heb ook het gevoel dat ik alles alleen moest doen. En dat was voor mij ook een strijd. […] Dit is mijn verhaal. Nu nodig ik jou uit om jouw verhaal te delen. En dat is zo mooi, dat mensen naar mij toe komen en zeggen: weet je wat? Ik ben niet de enige. Er zijn meer mensen met dit verhaal. Dus het werkt dubbel krachtig. Door mezelf te zien, door mijn jeugd te zien, door aan mezelf te werken, kon ik mijn verhaal vertellen. En daardoor nodigde ik de mensen uit om zichzelf te zien, en dus ook hun verhaal te vertellen.”
Ik dacht jarenlang dat ik de enige was. Dat jongetje in dat tehuis, dat dacht echt dat niemand anders dit had. En in die pauze stonden er volwassen ondernemers voor me, met precies hetzelfde verhaal. Ze hadden het ook altijd voor zich gehouden.
Dat is wat schaamte doet. Schaamte fluistert: als ze dit van je weten, horen je er niet meer bij. Dus je houdt het binnen. En omdat iedereen het binnenhoudt, denkt iedereen dat hij de enige is.
Het omgekeerde is ook waar. Ik zei het in die Insta live zo: “Je geeft iemand anders de ruimte met jouw verhaal. En eigenlijk wordt het zeggen: ik stel me kwetsbaar op. Dit is wat ik meegemaakt heb. Geef ik jou de ruimte om jou kwetsbaar op te stellen. Om jouw verhaal te doen.”
Eén iemand die zijn verhaal vertelt, geeft de rest van de zaal toestemming.
Ik wil hier wel eerlijk bij zijn. Ik kon dat verhaal pas zo vertellen omdat ik er al jaren aan had gewerkt. Ik stond daar niet om gered te worden of zielig gevonden te worden. Ik stond daar omdat ik het had leren zien. Dat maakt verschil. Je hoeft je verhaal niet aan 350 mensen te vertellen. Maar je mag het wel uit de doos halen waar je het al die jaren in hebt gestopt.
Soms vragen mensen me hoe het kan dat ik nu doe wat ik doe. Na alles. In de podcast Helden en Hordes zei ik daarover:
“Ik heb ook in een kindertehuis gezeten. […] Ouders die er niet klaar voor waren om echt ouders te zijn of niet emotioneel de ondersteuning konden bieden. We hadden allemaal de verkeerde kant op kunnen gaan en dat is allemaal niet gebeurd. Maar, ja, zoals alles denk ik in mijn leven, of het nou mijn loopbaan is of mijn jeugd of alles wat ik heb meegemaakt: probeer ik een vertaalslag van te maken.”
Een vertaalslag. Dat is wat ik ook met jou wil doen. Niet doen alsof het er niet was. Niet erin blijven hangen. Maar kijken: wat heeft dit me geleerd, wat heeft het me gekost, en wat mag ik nu anders kiezen?
En ik wil er iets bij zeggen over mijn ouders. Ze waren er niet klaar voor. Dat is mijn waarheid. Het is ook waar dat ze deden wat ze op dat moment konden. Die twee dingen mogen naast elkaar bestaan. Ik hoef ze niet kleiner te maken om mijn eigen verhaal groot te mogen laten zijn.
In dezelfde Insta live gebruikte ik een beeld dat ik sindsdien vaak terugzie bij vrouwen die bij me komen. Vrouwen die naar hun eigen geschiedenis kijken en alleen maar de donkere stukken zien.
“En ik zeg ook vaak: in jou zit goud. […] En als jij naar jezelf kijkt en alleen maar dat donkere eromheen ziet: maar dat donkere eromheen, dat is normaal. Want hoe wordt goud gevonden? Met modder, met zwart, met viezigheid. Wat je moet doen is langzaam stukjes eruit pakken. […] Tegen jezelf zeggen: ik ben wel genoeg, ik hou van je […], ik ben genoeg, ik mag er zijn. Ik hoef niet knapper, rijker, succesvoller te zijn.”
Dat kindertehuis is mijn modder. Het verhuizen, de onzekerheid, de muur. En daartussen zit het goud: dat ik heel snel voel wat iemand mist. Dat ik weet hoe het is als niemand je ziet, en daardoor precies weet hoe het is om iemand wel te zien.
En dan gebeurt er iets wat ik helemaal niet had verwacht toen ik begon. Ik zei het aan het eind van dat gesprek:
“Wat ik weet: door mezelf te zien, en doordat ik het deel met de buitenwereld, zet ik iemand anders aan om zichzelf te zien. En ik nodig je dan ook met liefde uit […]: zie alsjeblieft jezelf. […] Dan gebeurt er iets moois. Dan kun je jezelf zien. Kun je in de spiegel kijken met zelfvertrouwen: je mag er zijn, ik ben er. En dan stap je er weer op buiten. Je ziet jezelf, en dan zie je zoveel andere mensen om je heen. Dan zie je nog meer mooie verhalen. Dan zie je je partner op een mooie manier. Zie je je kinderen op een mooie manier. Zie je je ouders op een heel andere manier.”
Zie je je ouders op een heel andere manier. Dat is voor mij misschien wel het grootste cadeau van het hele verhaal.
Dertien, veertien keer verhuisd. Drie jaar in een tehuis. En dan dit, zoals ik het in De Taboecast vertelde:
“Mijn eerste huis is het huis waar ik nu woon. En dat huis die ik zelf gekocht heb. En dat huis die ik voor mezelf gecreëerd heb om huis te maken en veiligheid te maken. En waar ik nu met mijn gezin woon. En waardoor het nog meer een huis is geworden.”
Een jongetje dat nooit heeft gezien hoe een gezin werkt, woont nu met zijn eigen gezin in zijn eigen veilige huis. Niet omdat hij het allemaal alleen heeft gedaan. Juist omdat hij op een dag in een zaal vol mensen leerde dat het niet alleen hoeft.
En nu jij. Welke zin met een uitroepteken draag jij mee? Ik vraag nooit hulp! Ik heb niemand nodig! Ik red het zelf wel! En welk verhaal houd jij al jaren binnen, omdat je denkt dat je de enige bent?
Ik beloof je: je bent het niet.
Doe de oefening die bij mij alles openbrak. Pak een schrift en neem tien minuten, telefoon weg. Schrijf bovenaan: “Wat lukt er nu niet in mijn bedrijf of in mijn leven?” Schrijf alles op wat er komt. Stel jezelf dan steeds dezelfde vraag: “En wat zit daaronder?” Blijf doorschrijven tot je een zin vindt met een uitroepteken. Je herkent hem aan je lijf. Iets in je borst trekt samen, of je ogen prikken. Laat het er zijn. Leg je hand op die plek en blijf er even bij.
Vraag deze week drie mensen om hulp. Klein mag. Iemand die je kind van school haalt. Een vriendin die even meekijkt naar je nieuwe aanbod. Je partner die vanavond de afwas doet terwijl jij in bad gaat. Een collega-ondernemer die je een vraag stelt die je al weken zelf probeert op te lossen. Schrijf na elke keer op wat je voelde vlak ervoor, en wat er daarna gebeurde.
En deel één stukje van je verhaal met één persoon bij wie je je veilig voelt. Niet om medelijden te krijgen. Gewoon om het uit de doos te halen. Kijk wat het met jou doet. En kijk wat het bij de ander opent. Grote kans dat jij net zo’n moment krijgt als ik in die pauze: weet je wat, ik heb dat ook.
Samen kom je verder. Ook jij.
Lees ook Hoe minder ik gezien werd, hoe drukker ik werd: je ziet je kind maar zo ver als je jezelf ziet en Als je kind met kwark smeert en jij ineens weer klein bent.
Wil je weten hoe ik werk met het meisje dat jij ooit was? Lees meer over innerlijk kindwerk.
Zet hem op deze week.
Liefs,
Jonathan
Ontdek in een gratis Mini Familieopstelling waar jouw patronen vandaan komen.